Artikelen

Waarheidsvinding in de ethiek
Opmerkingen bij Patrick Nullens, Waarheid en Schriftberoep in een hermeneutische ethiek van de liefde

 Vooropmerkingen
Op dinsdag 26 augustus sprak ik in Elspeet voor theologische studenten van de Gereformeerde Bond als co-referent van prof. dr. P. Nullens. Het onderwerp was het Schriftberoep in de ethiek.

 Bij het schrijven van deze bijdrage, had ik niet de beschikking over het referaat van prof. Nullens. Wel stuurde hij mij een A4tje met daarop de hoofdlijnen van zijn betoog voor deze avond. Op zijn aangeven heb ik mij vooral gericht op het volgende artikel van zijn hand: 

  • Theologia caritatis and the Moral Authority of Scripture’, in: European Journal of Theology 22 (2013 ) 

Daarnaast heb ik gebruik gemaakt van twee andere publicaties van prof. Nullens: 

  • Verlangen naar het goede. Bouwstenen voor een christelijke ethiek, Zoetermeer 2006
  • ‘Value Personalism as a Lens to read the Ten Commandments’, in: Riecker and J. Steinberg (eds.). Das heilige Herz der Tora: Festschrift für Hendrik Koorevaar zu seinem 65. Geburtstag. Theologische Studien. Aachen: Shaker Verlag, 2011, 311-323.

 Schriftgezag
Wat is waarheid in ons morele leven? Om die vraag cirkelt het thema van deze avond. Hoe vinden Bijbelgetrouwe christenen hier de weg in een postmoderne context?

 Over wat ‘Bijbelgetrouw’ is, zullen we het gauw eens zijn. Omdat we de Bijbel aanvaarden als het Woord van God, ingegeven door de Heilige Geest, is die Bijbel de norm voor al onze normen. 

Niet dat we in een boek geloven. We geloven in God. Maar wil je Zijn stem vernemen, dan moet je daarvoor bij de Schriften van OT en NT zijn. Daarin werd Zijn openbaringswoord betrouwbaar vastgelegd, het Woord van Zijn Geest. Erken dat in een ootmoedige luisterhouding, die wil buigen voor de zin en mening van de Geest: geen eigenmachtige uitleg![i] 

Maar hoe voorkom je een eigenmachtige uitleg? Dat wordt meteen de vervolgvraag.
Hoe kom je de betekenis en de waarheid van de Schrift voor vandaag op het spoor? Dat raakt niet alleen het Schriftberoep in de ethiek, maar de omgang met de Schrift over heel de linie. Wat is het interpretatiekader, je methodische aanpak voor deze omgang? 

Daarmee is de ‘hermeneutische kwestie’ geagendeerd, ook binnen Bijbelgetrouwe kring. Erkenning van de Schrift als het geïnspireerde Woord van God en daarmee van haar goddelijk gezag is één ding. Met je interpretatiekader aan dat gezag recht doen, is nummer twee. Met een aanvechtbaar interpretatiekader kun je de Schrift voor de voeten lopen om voor zichzelf te spreken, waarmee het Schriftgezag alsnog onder druk kan komen te staan. 

Waarheid als gebeuren (Gadamer)[ii]
Prof. Nullens signaleert de postmoderne wissel van normatief naar vormend gebruik van de Bijbel (normative > formative). Die wissel kent allerlei oorzaken, een andere omgang met waarheid en gezag voorop. De Schrift biedt – wanneer het om de ethiek gaat – niet een voorgegeven en voorgeschreven objectieve waarheid, die je simpelweg hebt te gehoorzamen. Die Schrift wil door het evangelie motiveren om het beeld van Christus te vertonen. 

Het accent verschuift van het gebod naar het verhaal. Niet dat het gebod nu buiten beeld raakt. Integendeel, de Bijbelse voorschriften – de Tien Geboden voorop – blijven normatief. Maar meer als richtinggevende woorden dan als alleen geboden. En tegelijk in het kader van het verhaal. In het grote geheel van de kerk neem je je plek in in Gods verlossingsverhaal. En zo ga je de wil van God in de Schrift begrijpen, met de liefde als eyeopener en leeswijzer. 

Er klinken in het model van prof. Nullens allerlei stemmen mee. Theologische. Ook filosofische. Toch hoor ik op de achtergrond steeds het denken van H.G. Gadamer doorklinken. Waarheid is een gebeuren

Daarover is meer te zeggen dan ik in het kader van een coreferaat kan doen. Toch moet ik er wel iets over opmerken. Bij Gadamer komt in taal de werkelijkheid naar ons toe (Heidegger!). Het ontdekken van betekenis van de taal staat gelijk aan het vinden van waarheid. Die waarheid komt aan het licht in de ontmoeting met de lezer, die zijn eigen vragen stelt aan de tekst. Die lezer komt niet ‘blanco’ naar een tekst toe, hij neemt zichzelf mee, zijn eigen vooronderstellingen en betrokkenheid in een traditie. Zonder die vragen, ideeën en verwachtingen is het onmogelijk om de betekenis van een tekst te ontdekken.

 Dat wil niet zeggen dat de tekst alleen maar bevestigt wat de lezer van zichzelf meebrengt. De lezer wordt door een tekst uitgedaagd om zich op zijn vooroordelen te bezinnen. Tegelijk gebeurt er iets met de tekst. De betekenis, de waarheid wordt het resultaat van een gesprek tussen lezer en tekst. De hermeneutische dialoog brengt een mens in een proces van (zelf-)verstaan waarbij betekenis en waarheid samenvallen. 

Het gevolg is wel, dat de betekenis/waarheid van een tekst nooit definitief is vast te stellen. Elke nieuwe lezer stelt nieuwe vragen. Een ‘objectieve’ betekenis is dus onmogelijk. Geen tekst is autonoom, de bedoeling van de auteur is nauwelijks relevant. De tekst maakt een (werkings)geschiedenis door. In die geschiedenis ben je ook als lezer opgenomen. Er is geen objectief vertrekpunt, je kunt niet buiten de geschiedenis treden. 

Alleen al dit (te) korte resumé geeft een indruk van Gadamers denkkracht. Toch zijn er bij dit verhaal de nodige kritische kanttekeningen te plaatsen. Om te beginnen bij de centrale stelling van Gadamer, dat de werkelijkheid in taal naar ons toe komt. Bij Gadamer vallen ‘taal’ en ‘tekst’ samen. Echter, kennis en waarheid kunnen niet behandeld worden op het niveau van de taal. Deze komen pas aan de orde zodra er in de taal iets gezegd wordt. uitgedrukt in een tekst. Taal geeft dan ook niet alleen uitdrukking aan waarheid, maar kan ook voor leugen gebruikt worden.

 Uiteraard is het zo dat ieder mens zichzelf meebrengt bij het lezen van een tekst. Het is ook van belang je dit bewust te zijn, voor zover dat mogelijk is. Ook dat je in een bepaalde traditie staat. Alleen is daarmee de mogelijkheid van kritische zelfdistantie niet bij voorbaat uitgesloten. Een mens is geen willoze gevangene van de geschiedenis. 

Evenmin is bewezen, dat een tekst geen betekenis in zichzelf zou hebben, afgezien van het begrip en de instemming van de lezer. Juist vanwege die eigen betekenis kan een tekst een lezer dan ook boven de eigen vooronderstellingen en traditie uitheffen.

 Waardering
Er is veel in het model van prof. Nullens dat m.i. positief te waarderen is. Met hem onderstreep ik dat in de Schrift het verhaal dominant is. Ik gebruik hier expres het enkelvoud. Er zijn vele Bijbelse verhalen. Ze vormen met elkaar het verhaal van Gods verlossing in Jezus Christus. Dat verhaal is maar niet een bedacht verhaaltje.[iii] Het berust op feiten (vandaar getuigenis = (rechtsgeldig) feitenverslag in het NT). 

Dat dit kader ook de wet van God bepaalt, is zonder meer duidelijk uit de preambule van de Tien Geboden, waarin de Heere God Zichzelf a.h.w., voorstelt en Zijn aanspraak op Zijn volk motiveert. ‘Ik ben de Heere, uw God, die u uit het diensthuis geleid heb’. Het evangelie gaat voorop en zet de toon. Stanley Hauerwas heeft daarop gewezen. Maar dat had Calvijn al lang voor Hauerwas ontdekt. Gods weldaad gaat voorop, niet onze (verlangde) daden.[iv] 

De wet is door het evangelie omgeven en wordt door het evangelie gedragen. Om tot gehoorzaamheid aan God te brengen. Niet als een autonome morele code. Maar als de wet van Christus, om te gaan in Zijn spoor, en als wet van vrijheid: om te blijven ademen in het klimaat van Gods verlossing. Hier is Christus begin- en eindpunt. De wet drijft steeds weer naar Christus uit. Los van het evangelie en van Jezus Christus wordt de wet een doodsmacht, waaraan een mens zich onherroepelijk vertilt. Alleen door de genade van de Heilige Geest, die ons hart vernieuwt en door Wie Christus met Zijn gehoorzaamheid gestalte in ons aanneemt, komt er iets van onze gehoorzaamheid terecht, hoezeer dat in dit leven nog blijft bij een klein begin (vr./antw. 144 HC). 

Ik ben ook blij dat prof. Nullens de Bijbel het boek van de kerk noemt. Inderdaad, het gevaar van individualisme en ethiek als eigen levensproject is levensgroot. Het Woord is aan de gemeente gegeven en op die manier aan elk lid van de gemeente. Al betekent dat niet dat alleen de kerk iets over de Schrift mag zeggen: als het moet, kan het enkele kerklid terugroepen tot gehoorzaamheid aan het Woord: Luther! Al was Luther minder enkeling dan vaak gedacht wordt, maar dat terzijde. Als hij/zij met die oproep daarmee maar wel de kerk zoekt. 

In verband daarmee kan ik mij voorstellen dat hij ook wijst op het belang van de traditie bij de ethische bezinning. Het Woord van God is niet bij ons begonnen, het heeft niet alleen ons bereikt (1 Kor. 14,36). Er is wijsheid uit vroeger tijd die de kerk tot haar schade verwaarloost. Al blijft ook die wijsheid uit vroeger tijd onderworpen aan het Woord van God. 

Centrale kritiek
En toch heb ik grote vragen bij het model van prof. Nullens. Nee, prof. Nullens neemt het denken van Gadamer niet één op één over. En toch meen ik een basaal element uit het denken van Gadamer te herkennen, dat zich in tal van hedendaagse hermeneutische concepten laat gelden. Waarheid is een (relationeel) gebeuren. Wat waarheid is in de ethiek, laat zich niet uit de Schrift als zodanig direct of indirect aflezen, maar wordt gevonden in een proces van interpretatie door veranderde mensen. De liefde van de Heilige Geest wordt in het hart uitgestort. En door die liefhebbende Heilige Geest gaan we de door Hem geïnspireerde tekst begrijpen, met de liefde als interpretatiesleutel, gedragen door relaties van liefde en de traditie van de kerk. Daarbij gaat het meer om de richting die de Bijbel ons wijst dan om een voorgeschreven morele blauwdruk, eveneens bij de Tien Geboden, hoe centraal ze ook blijven. 

Mijn vraag is: kan de Schrift nu nog voor zichzelf spreken? Die Schrift spreekt zich hardop uit over de wil van God. Er klinken geboden, die – ook al staan ze in het kader van het evangelie – toch echt geboden zijn, met de Tien Geboden als kern en als uitdrukking van Gods blijvende wil voor de kerk van alle tijden.[v] In de Bergrede komen zo’n acht van de tien terug, en wel degelijk als bevelen. Paulus citeert het vijfde gebod als nog steeds geldende norm (Efeze 6,1-4). De wil van God laat zich ook aflezen uit geschiedenissen en voorbeeld(figuren).[vi] Kortom, wat God van ons wil, is in de Schrift als zodanig te vinden. Denk aan de Heere Jezus, toen de satan Hem in de woestijn verzocht om God ongehoorzaam te worden: Er staat geschreven! En daarmee is de zaak beslist.

 Ik wil niet beweren, dat er bij de wil van God in de Bijbel geen enkele vorm van uitleg nodig is. De Bijbel werd merkbaar geschreven in een andere tijd dan die van ons. Ook is er in de Bijbel zelf reliëf: er is voortgang van OT naar NT. Er is onderscheid te maken tussen norm en vorm. Eveneens tussen moreel en ceremonieel. Of, om het met K. Schilder te zeggen, er is onderscheid te maken tussen de constante rationes en de wisselende oeconomieën.[vii] Er zijn (te) vlotte isgelijktekens, die terecht als biblicisme gekenmerkt worden. 

Laat mij twee voorbeelden geven. De kleren van een man mogen niet door een vrouw gedragen worden, en een man mag geen vrouwenkleding aantrekken, want ieder die dat doet, is voor de HEERE, uw God, een gruwel (Deut. 22,5). Een vrouw mag dus geen lange broek dragen. Het gaat om een bepaling, waaraan de kerk van het nieuwe verbond niet meer direct gebonden is, wat dat betreft zou de discussie hier kunnen eindigen. Maar niet meer direct geldende bepalingen kunnen ook voor vandaag nog een les in zich bergen. Waarom mogen mannen en vrouwen zich niet als vrouw of man verkleden? Sommige uitleggers denken aan travestie in het kader van heidense cultische praktijken.[viii] Mij lijkt een andere verklaring aannemelijker. Wie als man of vrouw onherkenbaar wordt, kan ongemerkt het mannen- of vrouwenverblijf binnengaan. Dan is het een bepaling die tegen seksuele losbandigheid gericht is. Wat hier de blijvende les is, lijkt me duidelijk. Het heeft in ieder geval niets te maken met een vrouw in lange broek.
Hetzelfde geldt voor de vrouw, die geacht wordt in de kerk een hoed te dragen. Dit met een beroep op 1 Kor. 11,10 (HSV): Daarom moet de vrouw een teken van gezag op het hoofd hebben, omwille van de engelen. Ik mag ook vertalen: een vrouw moet zeggenschap over haar hoofd hebben, maar dit terzijde.[ix] Helder, niet? Een vrouw mag niet met onbedekt hoofd bidden en profeteren. Dus moet zij in de kerk een hoed op. Nu heb ik niets tegen vrouwen met een hoed op, integendeel zelfs, maar dan vanuit het standpunt van stijl. Er was in Korinte echt iets anders aan de hand. Sommige vrouwen legden de palla af, een soort capuchon, die gold als teken van onderdanigheid tegenover de man. Daar verzet Paulus zich tegen. Tegen een ongeoorloofde emancipatiedrang. Dat is dan ook de blijvende boodschap, ook in een tijd waarin de palla al lang heeft afgedaan.[x]     

 Om nog een stap verder te gaan: er zijn ook ethische vraagstukken, die in de Bijbelse tijd zo niet speelden. Medische macht dwingt tot nadenken over medische ethiek. Hoe ga je om in-vitrofertilisatie (ivf)? Tot hoelang behandel je iemand, mag je ook het kostenaspect laten meewegen? Het kan ook om andere beslissingen gaan. Geen echtscheiding, zegt de Schrift. Jawel, maar als je man je mishandelt of door drank de samenleving onmogelijk maakt? De Bijbel heeft echt geen pasklare oplossing of aanwijzing voor iedere situatie, je zult zelf beslissingen moeten nemen. 

Toch laat ook dan de Bijbel je niet in de steek. Want voor de hoofdlijnen kun je nog steeds bij de Bijbel terecht. Dan komt het aan op fijngevoeligheid en geestelijk onderscheidingsvermogen, wat in die of die situatie voor jou de wil van God is (Rom. 12,2 en Filip. 1,9-11). Daarbij blijft de Bijbelse norm ijkpunt: ligt mijn beslissing in de lijn van het algemene gebod? Een zaak van veel gebed om licht van de Heilige Geest. Al garandeert dat niet automatisch dat je de juiste beslissing neemt, maar daar kom ik nog wel op. 

Wat ik maar zeggen wil, is: om de wil van God op het spoor te komen, moeten wij ons richten op de tekst van de Bijbel zelf en niet onze kaarten zetten op een hermeneutisch proces. Om het met J. van Bruggen te zeggen: Hermeneutiek is een leesbril. Een leesbril laat zien wat er al staat. De leesbril helpt om de aanwezige betekenis te kennen en te waarderen.[xi] 

Graag kom ik dus op voor de klassieke positie, die uitgaat van de ‘objectieve openbaring’ in de Bijbel. De wil van God – al is het niet altijd in alle details – is in de Bijbel gezaghebbend geopenbaard. Die wil schrijft de Geest ons in het nieuwe verbond in het hart. 

De term ‘objectieve openbaring’ ontleen ik aan het artikel ‘The moral authority’ van prof. Nullens. Het is niet mijn taalgebruik. Het klinkt mij te afstandelijk en te abstract. In de Schrift is de levende God aan het Woord, die mensen persoonlijk aanspreekt. Ik erken dat het moeilijk is om het object-subjectschema te boven te komen. Mijn moeite ermee is dat de betrokkenheid tussen God en mens er te weinig in doorklinkt. Het verbondswoord gaat van hart tot hart[xii] 

Samenvattend, tegenover het hermeneutisch concept van prof. Nullens – bij alle gemeende waardering die ik er op onderdelen voor heb – kies ik met overtuiging voor de klassiek-reformatorische positie inzake het Schriftberoep in de ethiek. Ik acht daarbij het belijden over het gezag, de duidelijkheid en de genoegzaamheid van de Schrift meer gewaarborgd. 

Vragen
Er blijft bij mij nog een aantal (kritische) vragen over: 

  1. Nullens pleit voor een ethiek van de liefde. Alleen wie liefheeft, kent God. Dat geeft aan die liefde zelfs een epistemologische status: liefde is de voorwaarde om het Woord te verstaan. Heel de Schrift moet worden uitgelegd in het licht van het dubbelgebod van de liefde uit Matth. 22,33-40.

Dat de liefde het grote gebod van de wet is, is buiten kijf. Maar om van die liefde een hermeneutisch paradigma te maken, roept bij mij de nodige vragen op. Want als de liefde de leeswijzer voor de Schrift wordt bij de ethische bezinning, kan die liefde dan niet ook het concrete gebod overrulen?[xiii] De liefde is toch de vervulling van de wet, niet de vervanging ervan? In hoeverre kunnen de Tien Geboden nog voor zichzelf spreken? 

  1. In het verlengde van deze vraag: liefde komt op uit het geloof.[xiv] Maar wanneer die liefde voorwaarde wordt om het Woord van God te begrijpen, betekent dit dan dat alleen een gelovige de betekenis van Gods wil in de Bijbel op het spoor kan komen? Is het werkelijk zo, dat een ongelovige niet uit de tekst van de Bijbel met z’n verstand kan begrijpen, wat de God van de Bijbel wil in Zijn geboden en aanwijzingen? Kan hij – eveneens rationeel – niet begrijpen dat de liefde kern en smaak zijn van alles wat God van een mens vraagt? Daarmee heeft die ongelovige de Bijbelse boodschap nog niet innerlijk aanvaard. Ook zal de geestelijke affiniteit ontbreken. Daar zal de Heilige Geest aan te pas moeten komen. Maar de Bijbeltekst is toch niet in geheimtaal geschreven, alleen toegankelijk voor ingewijden? Hoe zou de Geest anders (nog) niet gelovige mensen met dit Woord kunnen bereiken? 
  1. Mensen zijn in wezen liefhebbende wezens. Zij zijn dan ook naar het beeld van God geschapen.[xv] Jawel, maar er is toch ook een zondeval geweest? Vervolgens blijkt de waarheidsvinding in de ethiek toch wel erg sterk samen te hangen met de Geest, die de wet in het hart schrijft. Mijn vraag – probleem – is, dat ik zo weinig de stoorzender van de zonde in rekening gebracht zie. Ook al is Christus door het geloof onze nieuwe identiteit, dat wil toch niet zeggen, dat daarmee ons hermeneutisch resultaat altijd juist is? Er is toch zoiets als de strijd tussen vlees en Geest in het leven – en dus in het denken en voelen – van de wedergeboren mens? Is het terecht dat ik hier iets van een ‘wesleyaans’ optimisme proef?

Ik verbind daaraan nog een vraag. In de dogmatiek worden inspiratie en illuminatie van elkaar onderscheiden. Ook prof. Nullens kent dit onderscheid.[xvi]
Maar vervaagt dit onderscheid niet in dit hermeneutisch model? Ik ben er niet helemaal gerust op. Een ongerustheid die nog vergroot wordt wanneer ik bij prof. Nullens lees: ‘We spreken pas echt van gezag wanneer inspiratie en illuminatie op één lijn komen te staan. God zelf actualiseert zijn eigen woorden. Juist het samengaan van de werking van de Geest en de openbaring van de Schrift maakt de Bijbel tot gezagsbron in ons morele leven.’[xvii]
Bij deze vragen ben ik mij bewust, dat prof. Nullens de valkuil van subjectivisme en relativisme wil vermijden. ‘We should not give up the protestant principle that Scripture can judge traditions and the life of Christian communities.’[xviii] Helemaal mee eens. Maar in hoeverre lukt dat nog, wanneer het objectieve en subjectieve element op één lijn komen te liggen? 

  1. De hantering van 2 Tim. 3,16-17 roept bij mij eveneens vragen op. De tekst zelf spreekt over datgene, waartoe de Schrift nuttig is. De omgang met deze tekst wordt echter benaderd vanuit de (brede) contekst, en wel een contekst van liefde, relaties, traditie en gemeenschap. Wat blijft er nog over van wat Paulus zegt over de nuttigheid van de Schrift als zodanig? En is gaan in Paulus’ voetspoor nu echt een zaak van persoonlijke en creatieve input? Roept Paulus niet op om met hem te gaan in het spoor van Christus en Zijn geboden? 
  1. Tenslotte een vraag die mij gaandeweg steeds meer ging bezighouden. Ik meen in het model van prof. Nullens invloed van Gadamer te herkennen. Ik zie ook wel raakvlakken met wat Christoph Dohmen zegt over de ‘Wirkungsgeschichte’ (een Gadamer-term!) van een tekst, waaraan een traditie komt vast te zitten en waarbij de lezer van vandaag aanhaakt met zijn interpretatie.[xix] Tegelijk heb ik steeds het idee, dat prof. Nullens telkens even op de rem trapt en bijstelt vanuit zijn evangelikale achtergrond en daarom de meest radicale conclusies van iemand als Dohmen bijv. niet deelt. Of vergis ik mij in deze indruk? 

HJCCJW

B’smilde, 26/7 augustus 2014

 

[i] In aansluiting bij Verlangen naar het goede, 235v.
[ii] Zie bij dit onderdeel uit de veelheid van literatuur van en over Gadamer:

  • G. Gadamer, Waarheid en methode. Hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek, Nijmegen 2014
  • Kai Hammermeister, Gadamer (Kopstukken filosofie), Rotterdam 2005 (tweede druk)
  • Veling, Geen eigenmachtige uitlegging. Moderne hermeneutiek en de omgang met de Bijbel (Kamper Bijdragen XXVIII), Barneveld 1988.

[iii] Dat maakt mij wat beducht voor de term ‘verhaal’. Ik hoor er het woordgebruik van een modern theologisch denken in. Voor de herkenbaarheid neem ik de term even over, maar wel met deze kanttekening: het gaat om verhaalde geschiedenis, met historische feiten.

[iv] J. Douma, Grondslagen christelijke ethiek, Kampen 1999, 96. Zie voor Calvijn: Inst. II,13-15.

[v] Vandaar dat ik – met J. Douma – weinig moeite heb met de Divine commandment Theory; Grondslagen 75-76.

[vi]Grondslagen, 88v. Prof. Nullens sluit zich – tot op zekere hoogte – aan bij Douma’s typering van de Schrift als gids, wachter, richtingwijzer en voorbeelden. Hij noemt deze begrippen behulpzaam, al blijft de vraag staan: hoe beslis je of een passage gids, wachter enz. is? Niettemin, Douma’s basisprincipes in de omgang met de Schrift (diversiteit en lezen binnen een groter theologisch raamwerk) zijn ook die van Nullens; Verlangen naar het goede, 247-8. Mijn vraag is wel: geldt na het artikel uit 2013 deze aansluiting uit 2006 nog steeds in dezelfde mate?

[vii] Dictaten Kompendium der ethiek I-VI, samengevat door G.J. Bruijn, Kampen 1980, 16.

[viii] Zie C.J. Labuschagne, Deuteronomium deel II (POT), Nijkerk 1990, 186.

[ix] Zowel F. Godet (Kommentaar op Paulus’ eersten brief aan de Corinthiërs, Kampen 1904, 506) als Jos Keulen (De brieven van Paulus I, Roermond en Maaseik 1953, 264) leggen exousia in 1 Kor. 11,10 uit als een teken van macht/onderdanigheid. J. van Bruggen wijst erop, dat deze exousia wil zeggen, dat de vrouw het gezag over haar hoofd moet hebben: zij moet zichzelf onder controle houden, zichzelf in de macht hebben omdat zij er is om de man en niet de man om haar: Emancipatie en Bijbel. Kommentaar uit 1 Korinthe 11, Amsterdam 1974,

[x] Zie J. van Bruggen, Emancipatie en Bijbel, 39v. R. Dean Anderson denkt in een andere richting: de vrouw moet bij bidden en profeteren het hoofd bedekken, om daarmee de directe heerlijkheid van de man als beeld van God te respecteren. Ook bij Anderson is de hoofdbedekking een teken van de zeggenschap van de man over de vrouw (1 Korintiërs. Orde op zaken in een jonge stadskerk (COT, derde serie), Kampen 2008), 155-156).

[xi] Het lezen van de Bijbel. Een inleiding, Kampen 1981,19-20.

[xii] C. Trimp, Klank en weerklank. Door prediking tot geloofservaring, Barneveld 1989, 22v.

[xiii] Zie J. Douma, Grondslagen, 92.

[xiv] The moral authority, sub 3.

[xv] Idem, sub 4.

[xvi] Verlangen naar het goede, 251-252.

[xvii] Idem, 252.

[xviii] Value Personalism, 312.

[xix] Zie J. van Bruggen, Het kompas van het christendom. Ontstaan en betekenis van een omstreden Bijbel, Kampen 2002, 167v; zie eveneens het afscheidscollege van J. van Bruggen uit 2001, ‘Een tekst om te preken’ (te raadplegen via www.vanbruggenpreken.nl).