Eerdere artikelen

Calvijn over de kerk 

In de Verantwoording van mijn overgang naar de PKN heb ik aangegeven, dat ik mij vanaf 2007/2008 heb verdiept (o.a.) in het onderwijs van Calvijn over de kerk. Ik schreef erover in hoofdstuk 2 van mijn boekje Afscheiding?.[i] In onderstaande bijdrage vindt u de oorspronkelijke tekst, waarop dit hoofdstuk teruggaat.[ii] Een enkele keer is deze tekst breder, soms ook wat korter.[iii] Ook volgt nu het volledige notenmateriaal. De conclusies zijn niet langer toegespitst op de GKv, maar heb ik meer algemeen geformuleerd.

Beperkte invalshoek
Bij mijn onderzoek van Calvijns kerkleer heb ik mij geconcentreerd op Inst. IV, 1 en 2.[iv] Eveneens op Calvijns brief aan Sadoleto.[v] Het gaat mij niet om een compleet overzicht van Calvijns kerkleer. Daarvoor kunt u uitstekend terecht bij W. van ’t Spijker in het verzamelwerk De Kerk of bij Georg Plasger in Calvijn. Handboek.[vi]

Mijn invalshoek is beperkt: hoe spreekt Calvijn over de ware en de valse kerk? Wanneer wordt een kerk eigenlijk een valse kerk? Wanneer is het moment daar, dat je een kerkelijke gemeenschap moet verlaten? Vanuit die vraagstelling wil ik Calvijns positie op het spoor komen.[vii]

Onzichtbaar
De heilige algemene christelijke kerk is voor Calvijn allereerst de ecclesia invisibilis, de kerk zoals God die kent en ziet, de kerk coram Deo. De Heere alleen weet wie de Zijnen zijn. De kerk is de gemeente van de uitverkorenen onder het Hoofd Christus. Die kerk geloven wij: hoe de duivel en Gods vijanden ook tekeer gaan, de genade van Christus kan niet uitgeblust worden, het bloed van Christus kan niet krachteloos gemaakt worden. Als katholieke kerk is die kerk dan ook de éne kerk. Er zijn er geen twee of drie van te vinden. Anders zou Christus aan stukken worden gescheurd (214-215).

Gereformeerden in de traditie van K. Schilder schrikken, wanneer ze horen spreken over een onzichtbare kerk, het totaal van de uitverkorenen. Van Kuypers opereren met de ‘onzichtbare kerk’ moeten ze weinig hebben.

Dat maakt het moeilijk om Calvijn onbevangen te lezen. Hetzelfde geldt voor art. 27 NGB. Met als gevolg, dat Calvijn spreken over ‘geen twee of drie kerken’ soms exclusief op de zichtbare kerk betrokken werd. Ten onrechte. De onzichtbare kerk is bij Calvijn de kerk, zoals de Heere die kent. De door Calvijn genoemde tekst (2 Tim. 2:19) vinden we dan ook als één van de verwijsplaatsen onder art. 27 van de Franse Geloofsbelijdenis, waar onze NGB – in zelfstandigheid – tegenaan leunt.[viii]

Hier is te noteren, dat Calvijn zijn oorspronkelijke opzet trouw is gebleven. Kijkt u in de Institutie van 1536,[ix] dan ziet u hoe Calvijn met name over de kerk als onzichtbare kerk spreekt. In deze eerste druk van de Institutie komt de verkiezingsleer in het kader van de kerkleer ter sprake. In latere edities van de Institutie heeft Calvijn de verkiezingsleer van de kerkleer losgekoppeld om deze een meer zelfstandige behandeling te geven. Maar ook in de Institutie van 1559 is voor Calvijn de kerk als lichaam van Christus allereerst de gemeente van de uitverkorenen. Een kerk, die principieel één is.[x]

 Zichtbaar
‘Overigens heeft het artikel (over de kerk) in de apostolische geloofsbelijdenis ook wel betrekking op de uiterlijke kerk, zodat ieder van ons zich aan de broederlijke eensgezindheid met alle kinderen Gods heeft te houden, aan de kerk het gezag moet verlenen dat zij verdient, kortom, dat hij zich als een schaap van de kudde moet gedragen.’ (215).

Deze zichtbare kerk – de kerk respectu hominum – is geen andere dan de onzichtbare kerk. Het gaat om twee zijden van één en dezelfde kerk. Tegelijk vallen zij ook weer niet helemaal samen. De zichtbare kerk is een corpus permixtum: daarin bevinden zich niet alleen uitverkorenen, ware gelovigen, maar ook huichelaars. Terwijl er anderzijds uitverkorenen buiten de zichtbare kerk kunnen zijn. Augustinus zei het al: Naar Gods verborgen predestinatie zijn er zeer veel schapen buiten en zeer veel wolven binnen (222-223).

Huichelaars zijn geen echte kerkleden. Alleen kunnen wij mensen niet in het hart kijken. God bindt ons aan het oordeel van de liefde: wie het geloof belijdt, voorbeeldig leeft en deelneemt aan de sacramenten, erkennen wij als leden van de kerk. Omgekeerd leidt dit tot terughoudendheid in het oordeel bij het oefenen van de tucht. We beoordelen iemands werken. Maar denk niet dat de kerk kan schrappen uit het getal van de uitverkorenen (425).

De zichtbare kerk heeft als taak moeder te zijn. Om kinderen voort te brengen en groot te brengen met het Woord. Vandaar de dienst van de dienaren van de kerk. Degenen die spreken uit naam van God, mag men niet verachten (217v).

De zichtbare kerk hoort bij de uiterlijke hulpmiddelen, waarmee God ons tot de gemeenschap met Christus nodigt en daarin behoudt (titel boek IV, 213). Laat de term ‘uitwendig’ ons niet op het verkeerde been zetten. Uitwendig is niet hetzelfde als ‘niet-wezenlijk’ of ‘onbelangrijk’.[xi] De tegenstelling is ook niet ‘uitwendig-inwendig’, maar: ‘publiek-verborgen’. De uitwendige middelen zijn de verschijningsvormen van verborgen werk van Gods Geest.[xii] Bij Calvijn geen vervluchtiging van de zichtbare kerk! Integendeel, wat God samengevoegd heeft, mag de mens niet scheiden. Wie Hem als Vader heeft, moet de kerk als moeder hebben (214). In de Institutie van 1559 is het zwaartepunt dan ook verschoven van de onzichtbare naar de zichtbare kerk.

Eenheid
De ene onzichtbare kerk maakt Calvijn niet onverschillig voor de eenheid op aarde van de zichtbare kerk. Geen gebazel in Genève over een ‘oecumene van het hart’, waarbij de kerkelijke verdeeldheid in feite irrelevant is.[xiii] Het is precies omgekeerd. Juist omdat alle uitverkorenen één zijn met Christus en met elkaar in het lichaam van Christus, moet de kerk hier op aarde de eenheid zoeken. Nee, laat mij het nauwkeuriger zeggen: de eenheid die er in het lichaam van Christus is, moet op aarde gepraktiseerd en onderhouden worden.

Hier is de voorgegeven eenheid in Christus beslissend. De eenheid van de kerk is een eenheid in de waarheid. De band van het geloof (waaruit de band van de liefde voortvloeit) is grondleggend (246): je voegt je samen onder onderricht van de hemelse Leermeester (247).

Daarom moet die eenheid gezocht worden, waar nu nog breuklijnen liggen. Vandaar Calvijns inspanningen om gereformeerden onderling op één lijn te krijgen. Zoals hij ook zocht naar eenheid met de Luthersen, en zich inzette voor godsdienstgesprekken met rooms-katholieken.[xiv]

Herkenbaar
Tegenover het roomse principe: waar de kerk is, is het Woord, stelt de Reformatie: waar het Woord is, is de kerk. Het is bij Calvijn niet anders: ‘Indien zij (een kerk) de dienst van het Woord heeft en die in ere houdt, en indien ze de bediening van de sacramenten kent, dan verdient ze zonder twijfel voor een kerk gehouden en als zodanig beoordeeld te worden, want het is zeker dat die zaken niet vruchteloos zijn’ (224).[xv]

Niet dat overal meteen de vruchten gezien worden. Toch, waar het Woord gepredikt wordt, treedt – afhankelijk van de tijdsomstandigheden – een onmiskenbare en ondubbelzinnige gedaante van de kerk aan het licht (224/5). Kortom: Woord en sacrament – zuiver gepredikt en in geloof gehoord – zijn de kenmerken van de wettige gestalte van de kerk.[xvi]

Ik noteer, dat deze wettige gestalte volledig bepaald wordt door deze kenmerken, die zich laten samenvatten in één centraal kenmerk: onderwerping aan het Woord. Waar het Woord is, is de kerk: wereldwijd, landelijk, plaatselijk.

 Geen perfectionisme
Opmerkelijk is hoe Calvijn afstand houdt van het dopers perfectionisme. Er is hier op aarde geen volmaakt zuivere kerk mogelijk. We leven nog in het tijdperk van de onvolmaaktheid en zijn blijvend op vergeving aangewezen. We hebben de kerk nog niet in reincultuur.

Calvijn zegt: zolang een kerk aan de zuivere bediening van Woord en sacrament vasthoudt, mag deze in geen geval afgewezen worden, zelfs indien zij in andere opzichten vol gebreken is (226). Hier zal te denken zijn aan liturgische onvolkomenheden, bestuurlijke oneffenheden en diaconale tekortkomingen.[xvii]

Calvijn gaat nog een stap verder. Het is zelfs mogelijk dat er in de leer of in de bediening van de sacramenten een gebrek insluipt, zonder dat dit ons van de gemeenschap met haar mag vervreemden. Niet alle hoofdzaken van de ware leer zijn allemaal van dezelfde orde. Er zijn fundamentele, onopgeefbare artikelen – die buiten discussie moeten staan – en niet-fundamentele, waarover kerken onderling van mening kunnen verschillen, zonder dat de eenheid in het geloof verbroken wordt, bijv. over de verblijfplaats van de zielen na het sterven. Om deze redenen mag er per se geen kerkelijke breuk komen, noch mag je er persoonlijk om uit zo’n kerk treden (226/227).[xviii]

Calvijn haast zich om erbij te zeggen, dat het niet zijn bedoeling is om hiermee de geringste dwaling in bescherming te nemen. Het gaat hem om lichtvaardig verbreken van de eenheid van de kerk te voorkomen. Als de leer der zaligheid ongeschonden blijft, hoeven kleine verschillen geen reden te zijn om op te stappen. ’t Is natuurlijk wel onze plicht om naar verbetering te streven. Nog verder moet de toegeeflijkheid (!) gaan als het om de levenswandel gaat (227/8).[xix]

In de toegeeflijkheid, die leer en leven raakt, blijkt Calvijn ver te kunnen gaan. In Corinthe ging er gigantisch veel mis. Toch is het nog steeds een kerk, omdat de bediening van Woord en sacramenten er niet versmaad wordt. Wie zou dan de naam van kerk durven ontnemen aan gemeenten, waarin men op nog geen tiende deel van deze misdrijven stuit? Over de Galaten zegt Calvijn, dat ze het evangelie nog net niet helemaal verlaten hadden. En toch, de apostel trof bij de Galaten gemeenten aan (228/9).

Geen perfectionisme dus in de kerk. Maar saamhorigheid in het geloof, ook al is er lek en gebrek en zelfs bederf in de bediening van Woord en sacrament. In Gods kerk leven we van Gods vergeving.

Deze benadering geeft aan de marges van de ware kerk de nodige ruimte. Niet alleen de gereformeerde kerk valt voor Calvijn binnen de termen. Ook de Lutherse kerk van zijn dagen. Zonder dat Calvijn daarbij de verschillen over het avondmaal uit het oog verloor.[xx] Tegelijk, in zijn Conciliatio calvinica kon hij zelfs zeggen, dat de verschillen herleid konden worden tot ‘wederzijds verkeerd verstane uitdrukkingen’. Op basis van wederzijdse vergeving moeten christenen elkaar kunnen vinden.[xxi] Op een bepaalde manier vind je dus al bij Calvijn – impliciet – onderscheid in zuiverheid bij ware kerken van Christus.

Vals
Wanneer wordt een kerk vals = onwettig? Zodra de leugen de burcht van de godsdienst is binnengedrongen, de kern van de noodzakelijke leer onderuit gehaald is en het gebruik van de sacramenten in verval is geraakt. Dat betekent de ondergang van de kerk. Waar het fundament wordt weggenomen, kan het gebouw niet langer overeind blijven. De kerk rust niet op de apostolische successie, maar kan alleen rusten op Gods Woord. De schapen horen naar de stem van de Herder (241-245).

Daarom kun je van de reformatorischen niet zeggen, dat zij ketters en scheurmakers zijn.[xxii] Luisteren naar de stem van Christus, gehoorzaam zijn aan het onderwijs van de hemelse Leermeester is juist de eenheid van de kerk dienen. Wie de zuivere belijdenis van de waarheid niet langer verdraagt, is verantwoordelijk voor de kerkelijke breuk (247).

Daar hebt u in het kort, wat Calvijn breed in zijn brief aan Sadoleto betoogt. Niet de gereformeerden verbraken de eenheid van de kerk en de gemeenschap met de oude kerk. Rome nam afstand van de vrome godsvrucht van weleer. Gereformeerden hebben de bruid van Christus niet verscheurd, maar waren erop bedacht om haar ongeschonden voor Christus te behouden! Er is geen andere eenheid dan in het Woord van God.

Van roomse kant klonk het verwijt: Jullie hebben je uit de kerk teruggetrokken. Niets daarvan, zegt Calvijn. De enige reden waarom wij een andere weg gekozen hebben, was dat zij op geen enkele manier de zuivere belijdenis van de waarheid kunnen verdragen. En dan zwijg ik er nog maar over dat ze ons met vervloekingen en verwensingen eruit gegooid hebben (247). Calvijn wil maar zeggen: we zijn niet vrijwillig opgestapt. We zijn ertoe genoodzaakt, we zijn uitgeworpen. Maar akkoord, als ze dan zo graag willen zeggen dat we eruit gestapt zijn, dan moet dat maar, ‘want voor mij is het duidelijk dat we ons van hen moesten losmaken om tot Christus te kunnen gaan’ (247).

Kortom, de breuk met Rome werd aangedaan. Die reformatorischen hebben de breuk niet gezocht. Natuurlijk, de evangeliedienaar probeerde de schapen rond zijn banier te verzamelen. Maar de scheuring kwam door het verzet van de andere kant. Aldus geeft Calvijn in zijn brief aan Sadoleto stem aan de evangeliedienaar voor Gods troon.[xxiii] De breuk werd ook onontkoombaar, omdat – anders dan bij de kerk van het OT – men gedwongen werd deel te nemen aan een afgodische eredienst (249). Zeker, men had zich van de RKK losgemaakt. Aan onheilige bijeenkomsten mag je niet meedoen (250).

Vals, en toch
De RKK: een valse kerk. De (volgens de Bijbel) wettige gedaante van de kerk ontbreekt. Toch wil Calvijn niet ontkennen dat er op een bepaalde manier nog sprake is van ‘kerk’ onder het pausdom, al wil hij die naam niet zonder meer toekennen. Het geding raakt de wettige inrichting van de kerk, die ontbreekt bij Rome. Maar er zijn nog overblijfselen van de kerk. Er is nog een half ingestort gebouw over. Kerken, ja toch wel. Maar dan wel kerken die de paus met zijn heiligschennende goddeloosheid ontheiligt. Kerken, waarin Christus half-begraven verborgen blijft. Eerder Babel dan de heilige stad van God (251/2)

‘Kortom, ik zeg dat het kerken zijn, in zoverre de Heere daarin op wonderlijke wijze nog resten van Zijn volk bewaart, hoe deerlijk ze ook uiteengeslagen en verstrooid zijn; in zoverre er nog een paar kenmerken van de kerk achtergebleven zijn, en dan met name die kentekenen waarvan de kracht noch door de listen van de duivel, noch door de verdorvenheid van de mensen vernietigd kan worden. Maar omdat de kenmerken die we in deze kwestie vooral in het oog moeten houden, in het pausdom geheel verdwenen zijn, zeg ik dat elke vergadering afzonderlijk en het lichaam als geheel daar de echte gestalte van de kerk mist’ (252).

Dat Calvijn de RKK valse kerk noemt, is hier niet het verrassende. Wel dat hij oog houdt voor het werk van God, ook binnen de Romana. Er zijn nog ‘kerken’ (al is het tussen hoge komma’s) en er zijn nog vestigia ecclesiae.

Eenzelfde gedachtegang tref je aan in de brief aan Sadoleto. Ja, hoor, Sadoleto, u bestuurt de gemeenten van Christus. Alleen noemen wij de paus van Rome met zijn hele valse kliek van bisschoppen een stelletje verscheurende wolven. Bij u is de kerk op sterven na dood. Het is alleen aan Gods uitzonderlijke goedheid te danken dat dit nog voorkomen is. Overal waar de paus van Rome zijn dwingelandij uitoefent, zijn hooguit wat verspreide resten van ruïnes te zien, waaruit je kunt afleiden dat daar half onder de grond verborgen kerken liggen.[xxiv]

Ook in deze brief is Calvijns toon scherp en fel. En tegelijk is er die nuancering: de kerk is onder het pausdom nog niet helemaal weg. Die nuance is op het moment dat Calvijn zijn brief aan Sadoleto schreef (1539) goed te plaatsen. Hoe klein ook, er was nog enige hoop op herstel van de breuk met Rome. Die hoop was Calvijn sinds 1543 kwijt, zoals blijkt uit zijn Supplex Exhortatio, een beroep op de rijksdag te Spiers, geadresseerd aan de Duitse keizer, vorsten en standen. Calvijn bleek geen enkel vertrouwen meer te hebben in een concilie. Zo is het jaar 1543 de mijlpaal, waarbij de wegen van Rome en Reformatie definitief uiteen gingen.[xxv]

Toch blijft Calvijn het na 1543 zeggen, ook in de Institutie van 1559. Er is nog iets van ‘kerk’ in Rome over, al is het met veel mitsen en maren, en al blijft Rome een valse kerk, plaatselijk en in haar totaliteit. In ieder geval leer je om tot in een valse kerk oog te houden voor het werk van God.[xxvi]

Conclusies

  1. Voor Calvijn zijn zichtbare en onzichtbare kerk geen gescheiden circuits, maar twee aspecten van de ene kerk, zonder dat deze aspecten elkaar helemaal dekken.
  2. Voor Calvijn staat of valt het kerk zijn van de zichtbare kerk met het Woord van God. Dat geeft de grens van de kerk aan: waar een kerk het Woord verlaat, houdt het kerk zijn op. Tegelijk geeft dit aan het kerk zijn ruimte en bewegelijkheid: het kerk zijn stopt niet bij ‘eigen’ kerkdeur, maar is overal te vinden waar het Woord aan het woord komt. Dit geldt ook voor kerken met wie op onderdelen confessioneel onderscheid is, zoals bijv. bij de Luthersen.
  3. Dit weegt zo zwaar, dat waar een gemeenschap kerk van het Woord is, daarin en daarmee kerkelijke eenheid gezocht en onderhouden moet worden, zonder alle confessionele geschillen op de spits te drijven.
  4. Wanneer er in een kerkelijke gemeenschap bederf en verval is, maakt dat zo’n gemeenschap nog niet direct tot een ‘valse kerk’, die verlaten moet worden. Zolang een kerk de grondwaarheden van het christelijk geloof belijdt, is er sprake van een wettige kerk van God. Vertrek komt pas in beeld wanneer je om Gods waarheid wordt buitengesloten en je gedwongen wordt om aan goddeloosheid mee te doen.
  5. Daarmee zijn dwaalleer en verval in een kerkelijke gemeenschap niet gelegitimeerd. Integendeel, in zo’n kerk moet gezocht worden naar verbetering. Calvijn neemt geen enkele dwaling – hoe klein ook – in bescherming. Tegelijk echter neemt hij afstand van dopers radicalisme en perfectionisme.

 [i] Afscheiding? Over oproepen om zich van de GKv af te scheiden. Bijdrage aan een bezinning op de situatie in de GKv, Van Berkum Graphics BV 2010, p. 15-25.
[ii]  Oorspronkelijk werd dit verhaal als inleiding gehouden voor collega-predikanten in de GKv.
[iii]  De excurs over fundamentele en niet-fundamentele geloofsartikelen (Afscheiding?, p. 20-22) ontbreekt.
[iv]   Ik maakte gebruik van de volgende teksten van de Institutie 1559:
*  Ioannis Calvini, Institutio Christianae Religionis, Berolini MDCCCXLVI (ed. A. Tholuck).
*  Institutie of Onderwijzing in de christelijke godsdienst, uit het Latijn vertaald door dr. C.A. de Niet, met een inleiding van prof. dr. W. van ’t Spijker, Houten 2009 (in twee delen);  IV, 1 en 2 in deel 2, p. 213v.
[v] Voor de brief van Calvijn aan Sadoleto gebruikte ik de vertaling, zoals die te vinden is in: Rinse Reeling Brouwer, De handzame Calvijn, Amsterdam 2004, p. 144v; zie de inleiding hierop p. 131v. Een vertaling van deze brief is ook te vinden in: Stemmen uit Genève. Preken, artikelen, brieven enz. van Johannes Calvijn, deel I, Meeuwen 1969, p. 193v.
[vi] W. van ’t Spijker e.a. (red.), De Kerk. Wezen, weg en werk van de kerk naar reformatorische  opvatting, Kampen 1990, p. 143v; H.J. Selderhuis (red.), Calvijn. Handboek, Kampen 2008, p. 365. Een kritisch gebruik is te maken van C. Graafland, Kinderen van één moeder. Calvijns visie op de kerk volgens zijn Institutie, Kampen 1989.
[vii] Bij verwijzingen naar/citaten uit de Institutie verwijs ik steeds tussen haakjes naar het paginanummer in de editie De Niet.
[viii] Zie J.N. Bakhuizen van den Brink, De Nederlandse Belijdenisgeschriften in authentieke teksten met inleiding en tekstvergelijkingen, Amsterdam 1976 (tweede druk), p. 121. Zie over de verhouding Franse Belijdenis – NGB H.J. Boiten in: M. te Velde (red.),  Confessies. Gereformeerde geloofsverantwoording in zestiende-eeuws Europa, Heerenveen 2009, p. 446,
[ix] Hiervan verscheen een vertaling van W. van ’t Spijker, Kampen 1992.
[x] Zie voor de verschillende edities van de Institutie:  Rinse Reeling Brouwer, Grondvormen van theologische systematiek, Skandalon/Vught 2009, p. 209v (zie schema op p. 214); zie ook J.C. Klok, ‘Calvijn en zijn Institutie’, in: Willem Balke e.a., Johannes Calvijn. Zijn leven, zijn werk, Kampen 2008, p. 298v.
[xi] C. van der Kooi, Als in een spiegel. God kennen volgens Calvijn en Barth, Kampen 2002 (tweede druk), p. 182.
[xii] W. van ’t Spijker, Bij Calvijn in de leer. Een handleiding bij de Institutie, Houten 2004, p. 165.
[xiii] ‘De onderscheiding tussen zichtbare en onzichtbare kerk, die Calvijn maakt, kan niet gebruikt worden om zich van de zichtbare eenheid van de kerk terug te trekken op de onzichtbare kerk’; B. Plaisier, ‘Calvijn en de eenheid van de kerk. Bijeenbrengen van het verstrooide’, in: W. de Greef/M. van Campen (red.), Calvijn na 500 jaar. Een lees- en gespreksboek, Zoetermeer 2009, p. 199.
[xiv] Zie de bijdrage van B. Plaisier in Calvijn na 500 jaar (vergelijk noot 10). Zie ook A. de Reuver, ‘Calvinus oecumenicus’, in: J. Kronenburg/R. de Reuver (red.), Wij zijn ook katholiek. Over protestantse katholiciteit, Heerenveen 2007, p. 231v.
[xv] Bij ‘kerk’ denkt Calvijn ook aan de plaatselijke gemeenten: iedere afzonderlijke kerk in stad of dorp bezit op zichzelf rechtens de naam en het gezag van de kerk (224).
[xvi] Opmerkelijk is dat Calvijn hier de tucht niet als kenmerk van de kerk noemt. Hoezeer de tucht ook wezenlijk is voor het (ware) kerk zijn, ‘toch mogen we niet zeggen dat de kerk vernietigd is en dat er geen gebouw meer bestaat want zij bevat de doctrina waarop de kerk is gegrond’; W. Balke, Calvijn en de doperse radicalen, Amsterdam 1977 (tweede druk), p. 226v, citaat op p. 227. A. de Reuver wijst op de onmisbaarheid van de tucht als zenuwstelsel van de kerk. Maar in prediking en sacrament ligt de ziel van de kerk (in: P.J.Vergunst, red., Licht op de kerk, Zoetermeer 2003, p. 95).
[xvii] A. de Reuver, Licht op de kerk, p. 97.
[xviii] Zie over fundamenteel/niet-fundamenteel: C. Graafland, Kinderen van één moeder, p. 85v. Zie ook: H. Bavinck, De Katholiciteit van Christendom en Kerk, ingeleid door drs. G. Puchinger, Kampen 1968 (tweede druk), p. 26v, p. 39v; C. Trimp, Kerk in aanbouw. Haar presentie en pretentie, Goes 1998, p. 165v; G.C. Berkouwer, De Heilige Schrift II, Kampen 1967, p.80v en De Kerk II. Apostoliciteit en heiligheid, Kampen 1972, p. 96v. Voor het verdedigen van een zielenslaap kan met zich niet op Calvijn beroepen; zie J. Wiskerke, De strijd om de sleutel der kennis. Een bundel opstellen over theologie en filosofie, Groningen 1978, p. 162v (‘Calvijn over het leven na de dood’).
[xix] ‘In vita autem imperfectione toleranda multo longius procedere indulgentia nostra debet’ (Inst. IV, 1,13).
[xx] Zie hierbij het materiaal dat W.F. Dankbaar aandraagt in Calvijn. Zijn weg en werk (Nijkerk 1982, tweede druk), p. 165v; zie ook A.D.R. Polman, Onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis. Verklaard uit het verleden. Geconfronteerd met het heden. Derde deel, Franeker zj., p. 354v.
[xxi] Ontleend aan Johannes Calvijn. Zijn leven, zijn werk, p. 312.
[xxii] Met Augustinus omschrijft Calvijn het verschil tussen ketters en scheurmakers als volgt: ketters tasten met valse leerstellingen de zuiverheid van het geloof aan, terwijl scheurmakers soms ook bij overeenstemming in het geloof de band van de gemeenschap verbreken (246).
[xxiii] De handzame Calvijn, p. 176v.
[xxiv] De handzame Calvijn, p. 167/8.
[xxv] F.G.M. Broeyer, ‘Calvijn en de kerk. Is kerkscheuring gerechtvaardigd?’, in: Calvijn na 500 jaar, p. 76.
[xxvi] Zie bij dit onderdeel: G.C. Berkouwer, De Kerk I. Eenheid en katholiciteit, Kampen 1970, p. 78v.