Eerdere artikelen

Waarheidsvinding in de ethiek
Opmerkingen bij Patrick Nullens, Waarheid en Schriftberoep in een hermeneutische ethiek van de liefde

 Vooropmerkingen
Op dinsdag 26 augustus sprak ik in Elspeet voor theologische studenten van de Gereformeerde Bond als co-referent van prof. dr. P. Nullens. Het onderwerp was het Schriftberoep in de ethiek.

 Bij het schrijven van deze bijdrage, had ik niet de beschikking over het referaat van prof. Nullens. Wel stuurde hij mij een A4tje met daarop de hoofdlijnen van zijn betoog voor deze avond. Op zijn aangeven heb ik mij vooral gericht op het volgende artikel van zijn hand: 

  • Theologia caritatis and the Moral Authority of Scripture’, in: European Journal of Theology 22 (2013 ) 

Daarnaast heb ik gebruik gemaakt van twee andere publicaties van prof. Nullens: 

  • Verlangen naar het goede. Bouwstenen voor een christelijke ethiek, Zoetermeer 2006
  • ‘Value Personalism as a Lens to read the Ten Commandments’, in: Riecker and J. Steinberg (eds.). Das heilige Herz der Tora: Festschrift für Hendrik Koorevaar zu seinem 65. Geburtstag. Theologische Studien. Aachen: Shaker Verlag, 2011, 311-323.

 Schriftgezag
Wat is waarheid in ons morele leven? Om die vraag cirkelt het thema van deze avond. Hoe vinden Bijbelgetrouwe christenen hier de weg in een postmoderne context?

 Over wat ‘Bijbelgetrouw’ is, zullen we het gauw eens zijn. Omdat we de Bijbel aanvaarden als het Woord van God, ingegeven door de Heilige Geest, is die Bijbel de norm voor al onze normen. 

Niet dat we in een boek geloven. We geloven in God. Maar wil je Zijn stem vernemen, dan moet je daarvoor bij de Schriften van OT en NT zijn. Daarin werd Zijn openbaringswoord betrouwbaar vastgelegd, het Woord van Zijn Geest. Erken dat in een ootmoedige luisterhouding, die wil buigen voor de zin en mening van de Geest: geen eigenmachtige uitleg![i] 

Maar hoe voorkom je een eigenmachtige uitleg? Dat wordt meteen de vervolgvraag.
Hoe kom je de betekenis en de waarheid van de Schrift voor vandaag op het spoor? Dat raakt niet alleen het Schriftberoep in de ethiek, maar de omgang met de Schrift over heel de linie. Wat is het interpretatiekader, je methodische aanpak voor deze omgang? 

Daarmee is de ‘hermeneutische kwestie’ geagendeerd, ook binnen Bijbelgetrouwe kring. Erkenning van de Schrift als het geïnspireerde Woord van God en daarmee van haar goddelijk gezag is één ding. Met je interpretatiekader aan dat gezag recht doen, is nummer twee. Met een aanvechtbaar interpretatiekader kun je de Schrift voor de voeten lopen om voor zichzelf te spreken, waarmee het Schriftgezag alsnog onder druk kan komen te staan. 

Waarheid als gebeuren (Gadamer)[ii]
Prof. Nullens signaleert de postmoderne wissel van normatief naar vormend gebruik van de Bijbel (normative > formative). Die wissel kent allerlei oorzaken, een andere omgang met waarheid en gezag voorop. De Schrift biedt – wanneer het om de ethiek gaat – niet een voorgegeven en voorgeschreven objectieve waarheid, die je simpelweg hebt te gehoorzamen. Die Schrift wil door het evangelie motiveren om het beeld van Christus te vertonen. 

Het accent verschuift van het gebod naar het verhaal. Niet dat het gebod nu buiten beeld raakt. Integendeel, de Bijbelse voorschriften – de Tien Geboden voorop – blijven normatief. Maar meer als richtinggevende woorden dan als alleen geboden. En tegelijk in het kader van het verhaal. In het grote geheel van de kerk neem je je plek in in Gods verlossingsverhaal. En zo ga je de wil van God in de Schrift begrijpen, met de liefde als eyeopener en leeswijzer. 

Er klinken in het model van prof. Nullens allerlei stemmen mee. Theologische. Ook filosofische. Toch hoor ik op de achtergrond steeds het denken van H.G. Gadamer doorklinken. Waarheid is een gebeuren

Daarover is meer te zeggen dan ik in het kader van een coreferaat kan doen. Toch moet ik er wel iets over opmerken. Bij Gadamer komt in taal de werkelijkheid naar ons toe (Heidegger!). Het ontdekken van betekenis van de taal staat gelijk aan het vinden van waarheid. Die waarheid komt aan het licht in de ontmoeting met de lezer, die zijn eigen vragen stelt aan de tekst. Die lezer komt niet ‘blanco’ naar een tekst toe, hij neemt zichzelf mee, zijn eigen vooronderstellingen en betrokkenheid in een traditie. Zonder die vragen, ideeën en verwachtingen is het onmogelijk om de betekenis van een tekst te ontdekken.

 Dat wil niet zeggen dat de tekst alleen maar bevestigt wat de lezer van zichzelf meebrengt. De lezer wordt door een tekst uitgedaagd om zich op zijn vooroordelen te bezinnen. Tegelijk gebeurt er iets met de tekst. De betekenis, de waarheid wordt het resultaat van een gesprek tussen lezer en tekst. De hermeneutische dialoog brengt een mens in een proces van (zelf-)verstaan waarbij betekenis en waarheid samenvallen. 

Het gevolg is wel, dat de betekenis/waarheid van een tekst nooit definitief is vast te stellen. Elke nieuwe lezer stelt nieuwe vragen. Een ‘objectieve’ betekenis is dus onmogelijk. Geen tekst is autonoom, de bedoeling van de auteur is nauwelijks relevant. De tekst maakt een (werkings)geschiedenis door. In die geschiedenis ben je ook als lezer opgenomen. Er is geen objectief vertrekpunt, je kunt niet buiten de geschiedenis treden. 

Alleen al dit (te) korte resumé geeft een indruk van Gadamers denkkracht. Toch zijn er bij dit verhaal de nodige kritische kanttekeningen te plaatsen. Om te beginnen bij de centrale stelling van Gadamer, dat de werkelijkheid in taal naar ons toe komt. Bij Gadamer vallen ‘taal’ en ‘tekst’ samen. Echter, kennis en waarheid kunnen niet behandeld worden op het niveau van de taal. Deze komen pas aan de orde zodra er in de taal iets gezegd wordt. uitgedrukt in een tekst. Taal geeft dan ook niet alleen uitdrukking aan waarheid, maar kan ook voor leugen gebruikt worden.

 Uiteraard is het zo dat ieder mens zichzelf meebrengt bij het lezen van een tekst. Het is ook van belang je dit bewust te zijn, voor zover dat mogelijk is. Ook dat je in een bepaalde traditie staat. Alleen is daarmee de mogelijkheid van kritische zelfdistantie niet bij voorbaat uitgesloten. Een mens is geen willoze gevangene van de geschiedenis. 

Evenmin is bewezen, dat een tekst geen betekenis in zichzelf zou hebben, afgezien van het begrip en de instemming van de lezer. Juist vanwege die eigen betekenis kan een tekst een lezer dan ook boven de eigen vooronderstellingen en traditie uitheffen.

 Waardering
Er is veel in het model van prof. Nullens dat m.i. positief te waarderen is. Met hem onderstreep ik dat in de Schrift het verhaal dominant is. Ik gebruik hier expres het enkelvoud. Er zijn vele Bijbelse verhalen. Ze vormen met elkaar het verhaal van Gods verlossing in Jezus Christus. Dat verhaal is maar niet een bedacht verhaaltje.[iii] Het berust op feiten (vandaar getuigenis = (rechtsgeldig) feitenverslag in het NT). 

Dat dit kader ook de wet van God bepaalt, is zonder meer duidelijk uit de preambule van de Tien Geboden, waarin de Heere God Zichzelf a.h.w., voorstelt en Zijn aanspraak op Zijn volk motiveert. ‘Ik ben de Heere, uw God, die u uit het diensthuis geleid heb’. Het evangelie gaat voorop en zet de toon. Stanley Hauerwas heeft daarop gewezen. Maar dat had Calvijn al lang voor Hauerwas ontdekt. Gods weldaad gaat voorop, niet onze (verlangde) daden.[iv] 

De wet is door het evangelie omgeven en wordt door het evangelie gedragen. Om tot gehoorzaamheid aan God te brengen. Niet als een autonome morele code. Maar als de wet van Christus, om te gaan in Zijn spoor, en als wet van vrijheid: om te blijven ademen in het klimaat van Gods verlossing. Hier is Christus begin- en eindpunt. De wet drijft steeds weer naar Christus uit. Los van het evangelie en van Jezus Christus wordt de wet een doodsmacht, waaraan een mens zich onherroepelijk vertilt. Alleen door de genade van de Heilige Geest, die ons hart vernieuwt en door Wie Christus met Zijn gehoorzaamheid gestalte in ons aanneemt, komt er iets van onze gehoorzaamheid terecht, hoezeer dat in dit leven nog blijft bij een klein begin (vr./antw. 144 HC). 

Ik ben ook blij dat prof. Nullens de Bijbel het boek van de kerk noemt. Inderdaad, het gevaar van individualisme en ethiek als eigen levensproject is levensgroot. Het Woord is aan de gemeente gegeven en op die manier aan elk lid van de gemeente. Al betekent dat niet dat alleen de kerk iets over de Schrift mag zeggen: als het moet, kan het enkele kerklid terugroepen tot gehoorzaamheid aan het Woord: Luther! Al was Luther minder enkeling dan vaak gedacht wordt, maar dat terzijde. Als hij/zij met die oproep daarmee maar wel de kerk zoekt. 

In verband daarmee kan ik mij voorstellen dat hij ook wijst op het belang van de traditie bij de ethische bezinning. Het Woord van God is niet bij ons begonnen, het heeft niet alleen ons bereikt (1 Kor. 14,36). Er is wijsheid uit vroeger tijd die de kerk tot haar schade verwaarloost. Al blijft ook die wijsheid uit vroeger tijd onderworpen aan het Woord van God. 

Centrale kritiek
En toch heb ik grote vragen bij het model van prof. Nullens. Nee, prof. Nullens neemt het denken van Gadamer niet één op één over. En toch meen ik een basaal element uit het denken van Gadamer te herkennen, dat zich in tal van hedendaagse hermeneutische concepten laat gelden. Waarheid is een (relationeel) gebeuren. Wat waarheid is in de ethiek, laat zich niet uit de Schrift als zodanig direct of indirect aflezen, maar wordt gevonden in een proces van interpretatie door veranderde mensen. De liefde van de Heilige Geest wordt in het hart uitgestort. En door die liefhebbende Heilige Geest gaan we de door Hem geïnspireerde tekst begrijpen, met de liefde als interpretatiesleutel, gedragen door relaties van liefde en de traditie van de kerk. Daarbij gaat het meer om de richting die de Bijbel ons wijst dan om een voorgeschreven morele blauwdruk, eveneens bij de Tien Geboden, hoe centraal ze ook blijven. 

Mijn vraag is: kan de Schrift nu nog voor zichzelf spreken? Die Schrift spreekt zich hardop uit over de wil van God. Er klinken geboden, die – ook al staan ze in het kader van het evangelie – toch echt geboden zijn, met de Tien Geboden als kern en als uitdrukking van Gods blijvende wil voor de kerk van alle tijden.[v] In de Bergrede komen zo’n acht van de tien terug, en wel degelijk als bevelen. Paulus citeert het vijfde gebod als nog steeds geldende norm (Efeze 6,1-4). De wil van God laat zich ook aflezen uit geschiedenissen en voorbeeld(figuren).[vi] Kortom, wat God van ons wil, is in de Schrift als zodanig te vinden. Denk aan de Heere Jezus, toen de satan Hem in de woestijn verzocht om God ongehoorzaam te worden: Er staat geschreven! En daarmee is de zaak beslist.

 Ik wil niet beweren, dat er bij de wil van God in de Bijbel geen enkele vorm van uitleg nodig is. De Bijbel werd merkbaar geschreven in een andere tijd dan die van ons. Ook is er in de Bijbel zelf reliëf: er is voortgang van OT naar NT. Er is onderscheid te maken tussen norm en vorm. Eveneens tussen moreel en ceremonieel. Of, om het met K. Schilder te zeggen, er is onderscheid te maken tussen de constante rationes en de wisselende oeconomieën.[vii] Er zijn (te) vlotte isgelijktekens, die terecht als biblicisme gekenmerkt worden. 

Laat mij twee voorbeelden geven. De kleren van een man mogen niet door een vrouw gedragen worden, en een man mag geen vrouwenkleding aantrekken, want ieder die dat doet, is voor de HEERE, uw God, een gruwel (Deut. 22,5). Een vrouw mag dus geen lange broek dragen. Het gaat om een bepaling, waaraan de kerk van het nieuwe verbond niet meer direct gebonden is, wat dat betreft zou de discussie hier kunnen eindigen. Maar niet meer direct geldende bepalingen kunnen ook voor vandaag nog een les in zich bergen. Waarom mogen mannen en vrouwen zich niet als vrouw of man verkleden? Sommige uitleggers denken aan travestie in het kader van heidense cultische praktijken.[viii] Mij lijkt een andere verklaring aannemelijker. Wie als man of vrouw onherkenbaar wordt, kan ongemerkt het mannen- of vrouwenverblijf binnengaan. Dan is het een bepaling die tegen seksuele losbandigheid gericht is. Wat hier de blijvende les is, lijkt me duidelijk. Het heeft in ieder geval niets te maken met een vrouw in lange broek.
Hetzelfde geldt voor de vrouw, die geacht wordt in de kerk een hoed te dragen. Dit met een beroep op 1 Kor. 11,10 (HSV): Daarom moet de vrouw een teken van gezag op het hoofd hebben, omwille van de engelen. Ik mag ook vertalen: een vrouw moet zeggenschap over haar hoofd hebben, maar dit terzijde.[ix] Helder, niet? Een vrouw mag niet met onbedekt hoofd bidden en profeteren. Dus moet zij in de kerk een hoed op. Nu heb ik niets tegen vrouwen met een hoed op, integendeel zelfs, maar dan vanuit het standpunt van stijl. Er was in Korinte echt iets anders aan de hand. Sommige vrouwen legden de palla af, een soort capuchon, die gold als teken van onderdanigheid tegenover de man. Daar verzet Paulus zich tegen. Tegen een ongeoorloofde emancipatiedrang. Dat is dan ook de blijvende boodschap, ook in een tijd waarin de palla al lang heeft afgedaan.[x]     

 Om nog een stap verder te gaan: er zijn ook ethische vraagstukken, die in de Bijbelse tijd zo niet speelden. Medische macht dwingt tot nadenken over medische ethiek. Hoe ga je om in-vitrofertilisatie (ivf)? Tot hoelang behandel je iemand, mag je ook het kostenaspect laten meewegen? Het kan ook om andere beslissingen gaan. Geen echtscheiding, zegt de Schrift. Jawel, maar als je man je mishandelt of door drank de samenleving onmogelijk maakt? De Bijbel heeft echt geen pasklare oplossing of aanwijzing voor iedere situatie, je zult zelf beslissingen moeten nemen. 

Toch laat ook dan de Bijbel je niet in de steek. Want voor de hoofdlijnen kun je nog steeds bij de Bijbel terecht. Dan komt het aan op fijngevoeligheid en geestelijk onderscheidingsvermogen, wat in die of die situatie voor jou de wil van God is (Rom. 12,2 en Filip. 1,9-11). Daarbij blijft de Bijbelse norm ijkpunt: ligt mijn beslissing in de lijn van het algemene gebod? Een zaak van veel gebed om licht van de Heilige Geest. Al garandeert dat niet automatisch dat je de juiste beslissing neemt, maar daar kom ik nog wel op. 

Wat ik maar zeggen wil, is: om de wil van God op het spoor te komen, moeten wij ons richten op de tekst van de Bijbel zelf en niet onze kaarten zetten op een hermeneutisch proces. Om het met J. van Bruggen te zeggen: Hermeneutiek is een leesbril. Een leesbril laat zien wat er al staat. De leesbril helpt om de aanwezige betekenis te kennen en te waarderen.[xi] 

Graag kom ik dus op voor de klassieke positie, die uitgaat van de ‘objectieve openbaring’ in de Bijbel. De wil van God – al is het niet altijd in alle details – is in de Bijbel gezaghebbend geopenbaard. Die wil schrijft de Geest ons in het nieuwe verbond in het hart. 

De term ‘objectieve openbaring’ ontleen ik aan het artikel ‘The moral authority’ van prof. Nullens. Het is niet mijn taalgebruik. Het klinkt mij te afstandelijk en te abstract. In de Schrift is de levende God aan het Woord, die mensen persoonlijk aanspreekt. Ik erken dat het moeilijk is om het object-subjectschema te boven te komen. Mijn moeite ermee is dat de betrokkenheid tussen God en mens er te weinig in doorklinkt. Het verbondswoord gaat van hart tot hart[xii] 

Samenvattend, tegenover het hermeneutisch concept van prof. Nullens – bij alle gemeende waardering die ik er op onderdelen voor heb – kies ik met overtuiging voor de klassiek-reformatorische positie inzake het Schriftberoep in de ethiek. Ik acht daarbij het belijden over het gezag, de duidelijkheid en de genoegzaamheid van de Schrift meer gewaarborgd. 

Vragen
Er blijft bij mij nog een aantal (kritische) vragen over: 

  1. Nullens pleit voor een ethiek van de liefde. Alleen wie liefheeft, kent God. Dat geeft aan die liefde zelfs een epistemologische status: liefde is de voorwaarde om het Woord te verstaan. Heel de Schrift moet worden uitgelegd in het licht van het dubbelgebod van de liefde uit Matth. 22,33-40.

Dat de liefde het grote gebod van de wet is, is buiten kijf. Maar om van die liefde een hermeneutisch paradigma te maken, roept bij mij de nodige vragen op. Want als de liefde de leeswijzer voor de Schrift wordt bij de ethische bezinning, kan die liefde dan niet ook het concrete gebod overrulen?[xiii] De liefde is toch de vervulling van de wet, niet de vervanging ervan? In hoeverre kunnen de Tien Geboden nog voor zichzelf spreken? 

  1. In het verlengde van deze vraag: liefde komt op uit het geloof.[xiv] Maar wanneer die liefde voorwaarde wordt om het Woord van God te begrijpen, betekent dit dan dat alleen een gelovige de betekenis van Gods wil in de Bijbel op het spoor kan komen? Is het werkelijk zo, dat een ongelovige niet uit de tekst van de Bijbel met z’n verstand kan begrijpen, wat de God van de Bijbel wil in Zijn geboden en aanwijzingen? Kan hij – eveneens rationeel – niet begrijpen dat de liefde kern en smaak zijn van alles wat God van een mens vraagt? Daarmee heeft die ongelovige de Bijbelse boodschap nog niet innerlijk aanvaard. Ook zal de geestelijke affiniteit ontbreken. Daar zal de Heilige Geest aan te pas moeten komen. Maar de Bijbeltekst is toch niet in geheimtaal geschreven, alleen toegankelijk voor ingewijden? Hoe zou de Geest anders (nog) niet gelovige mensen met dit Woord kunnen bereiken? 
  1. Mensen zijn in wezen liefhebbende wezens. Zij zijn dan ook naar het beeld van God geschapen.[xv] Jawel, maar er is toch ook een zondeval geweest? Vervolgens blijkt de waarheidsvinding in de ethiek toch wel erg sterk samen te hangen met de Geest, die de wet in het hart schrijft. Mijn vraag – probleem – is, dat ik zo weinig de stoorzender van de zonde in rekening gebracht zie. Ook al is Christus door het geloof onze nieuwe identiteit, dat wil toch niet zeggen, dat daarmee ons hermeneutisch resultaat altijd juist is? Er is toch zoiets als de strijd tussen vlees en Geest in het leven – en dus in het denken en voelen – van de wedergeboren mens? Is het terecht dat ik hier iets van een ‘wesleyaans’ optimisme proef?

Ik verbind daaraan nog een vraag. In de dogmatiek worden inspiratie en illuminatie van elkaar onderscheiden. Ook prof. Nullens kent dit onderscheid.[xvi]
Maar vervaagt dit onderscheid niet in dit hermeneutisch model? Ik ben er niet helemaal gerust op. Een ongerustheid die nog vergroot wordt wanneer ik bij prof. Nullens lees: ‘We spreken pas echt van gezag wanneer inspiratie en illuminatie op één lijn komen te staan. God zelf actualiseert zijn eigen woorden. Juist het samengaan van de werking van de Geest en de openbaring van de Schrift maakt de Bijbel tot gezagsbron in ons morele leven.’[xvii]
Bij deze vragen ben ik mij bewust, dat prof. Nullens de valkuil van subjectivisme en relativisme wil vermijden. ‘We should not give up the protestant principle that Scripture can judge traditions and the life of Christian communities.’[xviii] Helemaal mee eens. Maar in hoeverre lukt dat nog, wanneer het objectieve en subjectieve element op één lijn komen te liggen? 

  1. De hantering van 2 Tim. 3,16-17 roept bij mij eveneens vragen op. De tekst zelf spreekt over datgene, waartoe de Schrift nuttig is. De omgang met deze tekst wordt echter benaderd vanuit de (brede) contekst, en wel een contekst van liefde, relaties, traditie en gemeenschap. Wat blijft er nog over van wat Paulus zegt over de nuttigheid van de Schrift als zodanig? En is gaan in Paulus’ voetspoor nu echt een zaak van persoonlijke en creatieve input? Roept Paulus niet op om met hem te gaan in het spoor van Christus en Zijn geboden? 
  1. Tenslotte een vraag die mij gaandeweg steeds meer ging bezighouden. Ik meen in het model van prof. Nullens invloed van Gadamer te herkennen. Ik zie ook wel raakvlakken met wat Christoph Dohmen zegt over de ‘Wirkungsgeschichte’ (een Gadamer-term!) van een tekst, waaraan een traditie komt vast te zitten en waarbij de lezer van vandaag aanhaakt met zijn interpretatie.[xix] Tegelijk heb ik steeds het idee, dat prof. Nullens telkens even op de rem trapt en bijstelt vanuit zijn evangelikale achtergrond en daarom de meest radicale conclusies van iemand als Dohmen bijv. niet deelt. Of vergis ik mij in deze indruk? 

HJCCJW

B’smilde, 26/7 augustus 2014

 

[i] In aansluiting bij Verlangen naar het goede, 235v.
[ii] Zie bij dit onderdeel uit de veelheid van literatuur van en over Gadamer:

  • G. Gadamer, Waarheid en methode. Hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek, Nijmegen 2014
  • Kai Hammermeister, Gadamer (Kopstukken filosofie), Rotterdam 2005 (tweede druk)
  • Veling, Geen eigenmachtige uitlegging. Moderne hermeneutiek en de omgang met de Bijbel (Kamper Bijdragen XXVIII), Barneveld 1988.

[iii] Dat maakt mij wat beducht voor de term ‘verhaal’. Ik hoor er het woordgebruik van een modern theologisch denken in. Voor de herkenbaarheid neem ik de term even over, maar wel met deze kanttekening: het gaat om verhaalde geschiedenis, met historische feiten.

[iv] J. Douma, Grondslagen christelijke ethiek, Kampen 1999, 96. Zie voor Calvijn: Inst. II,13-15.

[v] Vandaar dat ik – met J. Douma – weinig moeite heb met de Divine commandment Theory; Grondslagen 75-76.

[vi]Grondslagen, 88v. Prof. Nullens sluit zich – tot op zekere hoogte – aan bij Douma’s typering van de Schrift als gids, wachter, richtingwijzer en voorbeelden. Hij noemt deze begrippen behulpzaam, al blijft de vraag staan: hoe beslis je of een passage gids, wachter enz. is? Niettemin, Douma’s basisprincipes in de omgang met de Schrift (diversiteit en lezen binnen een groter theologisch raamwerk) zijn ook die van Nullens; Verlangen naar het goede, 247-8. Mijn vraag is wel: geldt na het artikel uit 2013 deze aansluiting uit 2006 nog steeds in dezelfde mate?

[vii] Dictaten Kompendium der ethiek I-VI, samengevat door G.J. Bruijn, Kampen 1980, 16.

[viii] Zie C.J. Labuschagne, Deuteronomium deel II (POT), Nijkerk 1990, 186.

[ix] Zowel F. Godet (Kommentaar op Paulus’ eersten brief aan de Corinthiërs, Kampen 1904, 506) als Jos Keulen (De brieven van Paulus I, Roermond en Maaseik 1953, 264) leggen exousia in 1 Kor. 11,10 uit als een teken van macht/onderdanigheid. J. van Bruggen wijst erop, dat deze exousia wil zeggen, dat de vrouw het gezag over haar hoofd moet hebben: zij moet zichzelf onder controle houden, zichzelf in de macht hebben omdat zij er is om de man en niet de man om haar: Emancipatie en Bijbel. Kommentaar uit 1 Korinthe 11, Amsterdam 1974,

[x] Zie J. van Bruggen, Emancipatie en Bijbel, 39v. R. Dean Anderson denkt in een andere richting: de vrouw moet bij bidden en profeteren het hoofd bedekken, om daarmee de directe heerlijkheid van de man als beeld van God te respecteren. Ook bij Anderson is de hoofdbedekking een teken van de zeggenschap van de man over de vrouw (1 Korintiërs. Orde op zaken in een jonge stadskerk (COT, derde serie), Kampen 2008), 155-156).

[xi] Het lezen van de Bijbel. Een inleiding, Kampen 1981,19-20.

[xii] C. Trimp, Klank en weerklank. Door prediking tot geloofservaring, Barneveld 1989, 22v.

[xiii] Zie J. Douma, Grondslagen, 92.

[xiv] The moral authority, sub 3.

[xv] Idem, sub 4.

[xvi] Verlangen naar het goede, 251-252.

[xvii] Idem, 252.

[xviii] Value Personalism, 312.

[xix] Zie J. van Bruggen, Het kompas van het christendom. Ontstaan en betekenis van een omstreden Bijbel, Kampen 2002, 167v; zie eveneens het afscheidscollege van J. van Bruggen uit 2001, ‘Een tekst om te preken’ (te raadplegen via www.vanbruggenpreken.nl).

Calvijn over de kerk 

In de Verantwoording van mijn overgang naar de PKN heb ik aangegeven, dat ik mij vanaf 2007/2008 heb verdiept (o.a.) in het onderwijs van Calvijn over de kerk. Ik schreef erover in hoofdstuk 2 van mijn boekje Afscheiding?.[i] In onderstaande bijdrage vindt u de oorspronkelijke tekst, waarop dit hoofdstuk teruggaat.[ii] Een enkele keer is deze tekst breder, soms ook wat korter.[iii] Ook volgt nu het volledige notenmateriaal. De conclusies zijn niet langer toegespitst op de GKv, maar heb ik meer algemeen geformuleerd.

Beperkte invalshoek
Bij mijn onderzoek van Calvijns kerkleer heb ik mij geconcentreerd op Inst. IV, 1 en 2.[iv] Eveneens op Calvijns brief aan Sadoleto.[v] Het gaat mij niet om een compleet overzicht van Calvijns kerkleer. Daarvoor kunt u uitstekend terecht bij W. van ’t Spijker in het verzamelwerk De Kerk of bij Georg Plasger in Calvijn. Handboek.[vi]

Mijn invalshoek is beperkt: hoe spreekt Calvijn over de ware en de valse kerk? Wanneer wordt een kerk eigenlijk een valse kerk? Wanneer is het moment daar, dat je een kerkelijke gemeenschap moet verlaten? Vanuit die vraagstelling wil ik Calvijns positie op het spoor komen.[vii]

Onzichtbaar
De heilige algemene christelijke kerk is voor Calvijn allereerst de ecclesia invisibilis, de kerk zoals God die kent en ziet, de kerk coram Deo. De Heere alleen weet wie de Zijnen zijn. De kerk is de gemeente van de uitverkorenen onder het Hoofd Christus. Die kerk geloven wij: hoe de duivel en Gods vijanden ook tekeer gaan, de genade van Christus kan niet uitgeblust worden, het bloed van Christus kan niet krachteloos gemaakt worden. Als katholieke kerk is die kerk dan ook de éne kerk. Er zijn er geen twee of drie van te vinden. Anders zou Christus aan stukken worden gescheurd (214-215).

Gereformeerden in de traditie van K. Schilder schrikken, wanneer ze horen spreken over een onzichtbare kerk, het totaal van de uitverkorenen. Van Kuypers opereren met de ‘onzichtbare kerk’ moeten ze weinig hebben.

Dat maakt het moeilijk om Calvijn onbevangen te lezen. Hetzelfde geldt voor art. 27 NGB. Met als gevolg, dat Calvijn spreken over ‘geen twee of drie kerken’ soms exclusief op de zichtbare kerk betrokken werd. Ten onrechte. De onzichtbare kerk is bij Calvijn de kerk, zoals de Heere die kent. De door Calvijn genoemde tekst (2 Tim. 2:19) vinden we dan ook als één van de verwijsplaatsen onder art. 27 van de Franse Geloofsbelijdenis, waar onze NGB – in zelfstandigheid – tegenaan leunt.[viii]

Hier is te noteren, dat Calvijn zijn oorspronkelijke opzet trouw is gebleven. Kijkt u in de Institutie van 1536,[ix] dan ziet u hoe Calvijn met name over de kerk als onzichtbare kerk spreekt. In deze eerste druk van de Institutie komt de verkiezingsleer in het kader van de kerkleer ter sprake. In latere edities van de Institutie heeft Calvijn de verkiezingsleer van de kerkleer losgekoppeld om deze een meer zelfstandige behandeling te geven. Maar ook in de Institutie van 1559 is voor Calvijn de kerk als lichaam van Christus allereerst de gemeente van de uitverkorenen. Een kerk, die principieel één is.[x]

 Zichtbaar
‘Overigens heeft het artikel (over de kerk) in de apostolische geloofsbelijdenis ook wel betrekking op de uiterlijke kerk, zodat ieder van ons zich aan de broederlijke eensgezindheid met alle kinderen Gods heeft te houden, aan de kerk het gezag moet verlenen dat zij verdient, kortom, dat hij zich als een schaap van de kudde moet gedragen.’ (215).

Deze zichtbare kerk – de kerk respectu hominum – is geen andere dan de onzichtbare kerk. Het gaat om twee zijden van één en dezelfde kerk. Tegelijk vallen zij ook weer niet helemaal samen. De zichtbare kerk is een corpus permixtum: daarin bevinden zich niet alleen uitverkorenen, ware gelovigen, maar ook huichelaars. Terwijl er anderzijds uitverkorenen buiten de zichtbare kerk kunnen zijn. Augustinus zei het al: Naar Gods verborgen predestinatie zijn er zeer veel schapen buiten en zeer veel wolven binnen (222-223).

Huichelaars zijn geen echte kerkleden. Alleen kunnen wij mensen niet in het hart kijken. God bindt ons aan het oordeel van de liefde: wie het geloof belijdt, voorbeeldig leeft en deelneemt aan de sacramenten, erkennen wij als leden van de kerk. Omgekeerd leidt dit tot terughoudendheid in het oordeel bij het oefenen van de tucht. We beoordelen iemands werken. Maar denk niet dat de kerk kan schrappen uit het getal van de uitverkorenen (425).

De zichtbare kerk heeft als taak moeder te zijn. Om kinderen voort te brengen en groot te brengen met het Woord. Vandaar de dienst van de dienaren van de kerk. Degenen die spreken uit naam van God, mag men niet verachten (217v).

De zichtbare kerk hoort bij de uiterlijke hulpmiddelen, waarmee God ons tot de gemeenschap met Christus nodigt en daarin behoudt (titel boek IV, 213). Laat de term ‘uitwendig’ ons niet op het verkeerde been zetten. Uitwendig is niet hetzelfde als ‘niet-wezenlijk’ of ‘onbelangrijk’.[xi] De tegenstelling is ook niet ‘uitwendig-inwendig’, maar: ‘publiek-verborgen’. De uitwendige middelen zijn de verschijningsvormen van verborgen werk van Gods Geest.[xii] Bij Calvijn geen vervluchtiging van de zichtbare kerk! Integendeel, wat God samengevoegd heeft, mag de mens niet scheiden. Wie Hem als Vader heeft, moet de kerk als moeder hebben (214). In de Institutie van 1559 is het zwaartepunt dan ook verschoven van de onzichtbare naar de zichtbare kerk.

Eenheid
De ene onzichtbare kerk maakt Calvijn niet onverschillig voor de eenheid op aarde van de zichtbare kerk. Geen gebazel in Genève over een ‘oecumene van het hart’, waarbij de kerkelijke verdeeldheid in feite irrelevant is.[xiii] Het is precies omgekeerd. Juist omdat alle uitverkorenen één zijn met Christus en met elkaar in het lichaam van Christus, moet de kerk hier op aarde de eenheid zoeken. Nee, laat mij het nauwkeuriger zeggen: de eenheid die er in het lichaam van Christus is, moet op aarde gepraktiseerd en onderhouden worden.

Hier is de voorgegeven eenheid in Christus beslissend. De eenheid van de kerk is een eenheid in de waarheid. De band van het geloof (waaruit de band van de liefde voortvloeit) is grondleggend (246): je voegt je samen onder onderricht van de hemelse Leermeester (247).

Daarom moet die eenheid gezocht worden, waar nu nog breuklijnen liggen. Vandaar Calvijns inspanningen om gereformeerden onderling op één lijn te krijgen. Zoals hij ook zocht naar eenheid met de Luthersen, en zich inzette voor godsdienstgesprekken met rooms-katholieken.[xiv]

Herkenbaar
Tegenover het roomse principe: waar de kerk is, is het Woord, stelt de Reformatie: waar het Woord is, is de kerk. Het is bij Calvijn niet anders: ‘Indien zij (een kerk) de dienst van het Woord heeft en die in ere houdt, en indien ze de bediening van de sacramenten kent, dan verdient ze zonder twijfel voor een kerk gehouden en als zodanig beoordeeld te worden, want het is zeker dat die zaken niet vruchteloos zijn’ (224).[xv]

Niet dat overal meteen de vruchten gezien worden. Toch, waar het Woord gepredikt wordt, treedt – afhankelijk van de tijdsomstandigheden – een onmiskenbare en ondubbelzinnige gedaante van de kerk aan het licht (224/5). Kortom: Woord en sacrament – zuiver gepredikt en in geloof gehoord – zijn de kenmerken van de wettige gestalte van de kerk.[xvi]

Ik noteer, dat deze wettige gestalte volledig bepaald wordt door deze kenmerken, die zich laten samenvatten in één centraal kenmerk: onderwerping aan het Woord. Waar het Woord is, is de kerk: wereldwijd, landelijk, plaatselijk.

 Geen perfectionisme
Opmerkelijk is hoe Calvijn afstand houdt van het dopers perfectionisme. Er is hier op aarde geen volmaakt zuivere kerk mogelijk. We leven nog in het tijdperk van de onvolmaaktheid en zijn blijvend op vergeving aangewezen. We hebben de kerk nog niet in reincultuur.

Calvijn zegt: zolang een kerk aan de zuivere bediening van Woord en sacrament vasthoudt, mag deze in geen geval afgewezen worden, zelfs indien zij in andere opzichten vol gebreken is (226). Hier zal te denken zijn aan liturgische onvolkomenheden, bestuurlijke oneffenheden en diaconale tekortkomingen.[xvii]

Calvijn gaat nog een stap verder. Het is zelfs mogelijk dat er in de leer of in de bediening van de sacramenten een gebrek insluipt, zonder dat dit ons van de gemeenschap met haar mag vervreemden. Niet alle hoofdzaken van de ware leer zijn allemaal van dezelfde orde. Er zijn fundamentele, onopgeefbare artikelen – die buiten discussie moeten staan – en niet-fundamentele, waarover kerken onderling van mening kunnen verschillen, zonder dat de eenheid in het geloof verbroken wordt, bijv. over de verblijfplaats van de zielen na het sterven. Om deze redenen mag er per se geen kerkelijke breuk komen, noch mag je er persoonlijk om uit zo’n kerk treden (226/227).[xviii]

Calvijn haast zich om erbij te zeggen, dat het niet zijn bedoeling is om hiermee de geringste dwaling in bescherming te nemen. Het gaat hem om lichtvaardig verbreken van de eenheid van de kerk te voorkomen. Als de leer der zaligheid ongeschonden blijft, hoeven kleine verschillen geen reden te zijn om op te stappen. ’t Is natuurlijk wel onze plicht om naar verbetering te streven. Nog verder moet de toegeeflijkheid (!) gaan als het om de levenswandel gaat (227/8).[xix]

In de toegeeflijkheid, die leer en leven raakt, blijkt Calvijn ver te kunnen gaan. In Corinthe ging er gigantisch veel mis. Toch is het nog steeds een kerk, omdat de bediening van Woord en sacramenten er niet versmaad wordt. Wie zou dan de naam van kerk durven ontnemen aan gemeenten, waarin men op nog geen tiende deel van deze misdrijven stuit? Over de Galaten zegt Calvijn, dat ze het evangelie nog net niet helemaal verlaten hadden. En toch, de apostel trof bij de Galaten gemeenten aan (228/9).

Geen perfectionisme dus in de kerk. Maar saamhorigheid in het geloof, ook al is er lek en gebrek en zelfs bederf in de bediening van Woord en sacrament. In Gods kerk leven we van Gods vergeving.

Deze benadering geeft aan de marges van de ware kerk de nodige ruimte. Niet alleen de gereformeerde kerk valt voor Calvijn binnen de termen. Ook de Lutherse kerk van zijn dagen. Zonder dat Calvijn daarbij de verschillen over het avondmaal uit het oog verloor.[xx] Tegelijk, in zijn Conciliatio calvinica kon hij zelfs zeggen, dat de verschillen herleid konden worden tot ‘wederzijds verkeerd verstane uitdrukkingen’. Op basis van wederzijdse vergeving moeten christenen elkaar kunnen vinden.[xxi] Op een bepaalde manier vind je dus al bij Calvijn – impliciet – onderscheid in zuiverheid bij ware kerken van Christus.

Vals
Wanneer wordt een kerk vals = onwettig? Zodra de leugen de burcht van de godsdienst is binnengedrongen, de kern van de noodzakelijke leer onderuit gehaald is en het gebruik van de sacramenten in verval is geraakt. Dat betekent de ondergang van de kerk. Waar het fundament wordt weggenomen, kan het gebouw niet langer overeind blijven. De kerk rust niet op de apostolische successie, maar kan alleen rusten op Gods Woord. De schapen horen naar de stem van de Herder (241-245).

Daarom kun je van de reformatorischen niet zeggen, dat zij ketters en scheurmakers zijn.[xxii] Luisteren naar de stem van Christus, gehoorzaam zijn aan het onderwijs van de hemelse Leermeester is juist de eenheid van de kerk dienen. Wie de zuivere belijdenis van de waarheid niet langer verdraagt, is verantwoordelijk voor de kerkelijke breuk (247).

Daar hebt u in het kort, wat Calvijn breed in zijn brief aan Sadoleto betoogt. Niet de gereformeerden verbraken de eenheid van de kerk en de gemeenschap met de oude kerk. Rome nam afstand van de vrome godsvrucht van weleer. Gereformeerden hebben de bruid van Christus niet verscheurd, maar waren erop bedacht om haar ongeschonden voor Christus te behouden! Er is geen andere eenheid dan in het Woord van God.

Van roomse kant klonk het verwijt: Jullie hebben je uit de kerk teruggetrokken. Niets daarvan, zegt Calvijn. De enige reden waarom wij een andere weg gekozen hebben, was dat zij op geen enkele manier de zuivere belijdenis van de waarheid kunnen verdragen. En dan zwijg ik er nog maar over dat ze ons met vervloekingen en verwensingen eruit gegooid hebben (247). Calvijn wil maar zeggen: we zijn niet vrijwillig opgestapt. We zijn ertoe genoodzaakt, we zijn uitgeworpen. Maar akkoord, als ze dan zo graag willen zeggen dat we eruit gestapt zijn, dan moet dat maar, ‘want voor mij is het duidelijk dat we ons van hen moesten losmaken om tot Christus te kunnen gaan’ (247).

Kortom, de breuk met Rome werd aangedaan. Die reformatorischen hebben de breuk niet gezocht. Natuurlijk, de evangeliedienaar probeerde de schapen rond zijn banier te verzamelen. Maar de scheuring kwam door het verzet van de andere kant. Aldus geeft Calvijn in zijn brief aan Sadoleto stem aan de evangeliedienaar voor Gods troon.[xxiii] De breuk werd ook onontkoombaar, omdat – anders dan bij de kerk van het OT – men gedwongen werd deel te nemen aan een afgodische eredienst (249). Zeker, men had zich van de RKK losgemaakt. Aan onheilige bijeenkomsten mag je niet meedoen (250).

Vals, en toch
De RKK: een valse kerk. De (volgens de Bijbel) wettige gedaante van de kerk ontbreekt. Toch wil Calvijn niet ontkennen dat er op een bepaalde manier nog sprake is van ‘kerk’ onder het pausdom, al wil hij die naam niet zonder meer toekennen. Het geding raakt de wettige inrichting van de kerk, die ontbreekt bij Rome. Maar er zijn nog overblijfselen van de kerk. Er is nog een half ingestort gebouw over. Kerken, ja toch wel. Maar dan wel kerken die de paus met zijn heiligschennende goddeloosheid ontheiligt. Kerken, waarin Christus half-begraven verborgen blijft. Eerder Babel dan de heilige stad van God (251/2)

‘Kortom, ik zeg dat het kerken zijn, in zoverre de Heere daarin op wonderlijke wijze nog resten van Zijn volk bewaart, hoe deerlijk ze ook uiteengeslagen en verstrooid zijn; in zoverre er nog een paar kenmerken van de kerk achtergebleven zijn, en dan met name die kentekenen waarvan de kracht noch door de listen van de duivel, noch door de verdorvenheid van de mensen vernietigd kan worden. Maar omdat de kenmerken die we in deze kwestie vooral in het oog moeten houden, in het pausdom geheel verdwenen zijn, zeg ik dat elke vergadering afzonderlijk en het lichaam als geheel daar de echte gestalte van de kerk mist’ (252).

Dat Calvijn de RKK valse kerk noemt, is hier niet het verrassende. Wel dat hij oog houdt voor het werk van God, ook binnen de Romana. Er zijn nog ‘kerken’ (al is het tussen hoge komma’s) en er zijn nog vestigia ecclesiae.

Eenzelfde gedachtegang tref je aan in de brief aan Sadoleto. Ja, hoor, Sadoleto, u bestuurt de gemeenten van Christus. Alleen noemen wij de paus van Rome met zijn hele valse kliek van bisschoppen een stelletje verscheurende wolven. Bij u is de kerk op sterven na dood. Het is alleen aan Gods uitzonderlijke goedheid te danken dat dit nog voorkomen is. Overal waar de paus van Rome zijn dwingelandij uitoefent, zijn hooguit wat verspreide resten van ruïnes te zien, waaruit je kunt afleiden dat daar half onder de grond verborgen kerken liggen.[xxiv]

Ook in deze brief is Calvijns toon scherp en fel. En tegelijk is er die nuancering: de kerk is onder het pausdom nog niet helemaal weg. Die nuance is op het moment dat Calvijn zijn brief aan Sadoleto schreef (1539) goed te plaatsen. Hoe klein ook, er was nog enige hoop op herstel van de breuk met Rome. Die hoop was Calvijn sinds 1543 kwijt, zoals blijkt uit zijn Supplex Exhortatio, een beroep op de rijksdag te Spiers, geadresseerd aan de Duitse keizer, vorsten en standen. Calvijn bleek geen enkel vertrouwen meer te hebben in een concilie. Zo is het jaar 1543 de mijlpaal, waarbij de wegen van Rome en Reformatie definitief uiteen gingen.[xxv]

Toch blijft Calvijn het na 1543 zeggen, ook in de Institutie van 1559. Er is nog iets van ‘kerk’ in Rome over, al is het met veel mitsen en maren, en al blijft Rome een valse kerk, plaatselijk en in haar totaliteit. In ieder geval leer je om tot in een valse kerk oog te houden voor het werk van God.[xxvi]

Conclusies

  1. Voor Calvijn zijn zichtbare en onzichtbare kerk geen gescheiden circuits, maar twee aspecten van de ene kerk, zonder dat deze aspecten elkaar helemaal dekken.
  2. Voor Calvijn staat of valt het kerk zijn van de zichtbare kerk met het Woord van God. Dat geeft de grens van de kerk aan: waar een kerk het Woord verlaat, houdt het kerk zijn op. Tegelijk geeft dit aan het kerk zijn ruimte en bewegelijkheid: het kerk zijn stopt niet bij ‘eigen’ kerkdeur, maar is overal te vinden waar het Woord aan het woord komt. Dit geldt ook voor kerken met wie op onderdelen confessioneel onderscheid is, zoals bijv. bij de Luthersen.
  3. Dit weegt zo zwaar, dat waar een gemeenschap kerk van het Woord is, daarin en daarmee kerkelijke eenheid gezocht en onderhouden moet worden, zonder alle confessionele geschillen op de spits te drijven.
  4. Wanneer er in een kerkelijke gemeenschap bederf en verval is, maakt dat zo’n gemeenschap nog niet direct tot een ‘valse kerk’, die verlaten moet worden. Zolang een kerk de grondwaarheden van het christelijk geloof belijdt, is er sprake van een wettige kerk van God. Vertrek komt pas in beeld wanneer je om Gods waarheid wordt buitengesloten en je gedwongen wordt om aan goddeloosheid mee te doen.
  5. Daarmee zijn dwaalleer en verval in een kerkelijke gemeenschap niet gelegitimeerd. Integendeel, in zo’n kerk moet gezocht worden naar verbetering. Calvijn neemt geen enkele dwaling – hoe klein ook – in bescherming. Tegelijk echter neemt hij afstand van dopers radicalisme en perfectionisme.

 [i] Afscheiding? Over oproepen om zich van de GKv af te scheiden. Bijdrage aan een bezinning op de situatie in de GKv, Van Berkum Graphics BV 2010, p. 15-25.
[ii]  Oorspronkelijk werd dit verhaal als inleiding gehouden voor collega-predikanten in de GKv.
[iii]  De excurs over fundamentele en niet-fundamentele geloofsartikelen (Afscheiding?, p. 20-22) ontbreekt.
[iv]   Ik maakte gebruik van de volgende teksten van de Institutie 1559:
*  Ioannis Calvini, Institutio Christianae Religionis, Berolini MDCCCXLVI (ed. A. Tholuck).
*  Institutie of Onderwijzing in de christelijke godsdienst, uit het Latijn vertaald door dr. C.A. de Niet, met een inleiding van prof. dr. W. van ’t Spijker, Houten 2009 (in twee delen);  IV, 1 en 2 in deel 2, p. 213v.
[v] Voor de brief van Calvijn aan Sadoleto gebruikte ik de vertaling, zoals die te vinden is in: Rinse Reeling Brouwer, De handzame Calvijn, Amsterdam 2004, p. 144v; zie de inleiding hierop p. 131v. Een vertaling van deze brief is ook te vinden in: Stemmen uit Genève. Preken, artikelen, brieven enz. van Johannes Calvijn, deel I, Meeuwen 1969, p. 193v.
[vi] W. van ’t Spijker e.a. (red.), De Kerk. Wezen, weg en werk van de kerk naar reformatorische  opvatting, Kampen 1990, p. 143v; H.J. Selderhuis (red.), Calvijn. Handboek, Kampen 2008, p. 365. Een kritisch gebruik is te maken van C. Graafland, Kinderen van één moeder. Calvijns visie op de kerk volgens zijn Institutie, Kampen 1989.
[vii] Bij verwijzingen naar/citaten uit de Institutie verwijs ik steeds tussen haakjes naar het paginanummer in de editie De Niet.
[viii] Zie J.N. Bakhuizen van den Brink, De Nederlandse Belijdenisgeschriften in authentieke teksten met inleiding en tekstvergelijkingen, Amsterdam 1976 (tweede druk), p. 121. Zie over de verhouding Franse Belijdenis – NGB H.J. Boiten in: M. te Velde (red.),  Confessies. Gereformeerde geloofsverantwoording in zestiende-eeuws Europa, Heerenveen 2009, p. 446,
[ix] Hiervan verscheen een vertaling van W. van ’t Spijker, Kampen 1992.
[x] Zie voor de verschillende edities van de Institutie:  Rinse Reeling Brouwer, Grondvormen van theologische systematiek, Skandalon/Vught 2009, p. 209v (zie schema op p. 214); zie ook J.C. Klok, ‘Calvijn en zijn Institutie’, in: Willem Balke e.a., Johannes Calvijn. Zijn leven, zijn werk, Kampen 2008, p. 298v.
[xi] C. van der Kooi, Als in een spiegel. God kennen volgens Calvijn en Barth, Kampen 2002 (tweede druk), p. 182.
[xii] W. van ’t Spijker, Bij Calvijn in de leer. Een handleiding bij de Institutie, Houten 2004, p. 165.
[xiii] ‘De onderscheiding tussen zichtbare en onzichtbare kerk, die Calvijn maakt, kan niet gebruikt worden om zich van de zichtbare eenheid van de kerk terug te trekken op de onzichtbare kerk’; B. Plaisier, ‘Calvijn en de eenheid van de kerk. Bijeenbrengen van het verstrooide’, in: W. de Greef/M. van Campen (red.), Calvijn na 500 jaar. Een lees- en gespreksboek, Zoetermeer 2009, p. 199.
[xiv] Zie de bijdrage van B. Plaisier in Calvijn na 500 jaar (vergelijk noot 10). Zie ook A. de Reuver, ‘Calvinus oecumenicus’, in: J. Kronenburg/R. de Reuver (red.), Wij zijn ook katholiek. Over protestantse katholiciteit, Heerenveen 2007, p. 231v.
[xv] Bij ‘kerk’ denkt Calvijn ook aan de plaatselijke gemeenten: iedere afzonderlijke kerk in stad of dorp bezit op zichzelf rechtens de naam en het gezag van de kerk (224).
[xvi] Opmerkelijk is dat Calvijn hier de tucht niet als kenmerk van de kerk noemt. Hoezeer de tucht ook wezenlijk is voor het (ware) kerk zijn, ‘toch mogen we niet zeggen dat de kerk vernietigd is en dat er geen gebouw meer bestaat want zij bevat de doctrina waarop de kerk is gegrond’; W. Balke, Calvijn en de doperse radicalen, Amsterdam 1977 (tweede druk), p. 226v, citaat op p. 227. A. de Reuver wijst op de onmisbaarheid van de tucht als zenuwstelsel van de kerk. Maar in prediking en sacrament ligt de ziel van de kerk (in: P.J.Vergunst, red., Licht op de kerk, Zoetermeer 2003, p. 95).
[xvii] A. de Reuver, Licht op de kerk, p. 97.
[xviii] Zie over fundamenteel/niet-fundamenteel: C. Graafland, Kinderen van één moeder, p. 85v. Zie ook: H. Bavinck, De Katholiciteit van Christendom en Kerk, ingeleid door drs. G. Puchinger, Kampen 1968 (tweede druk), p. 26v, p. 39v; C. Trimp, Kerk in aanbouw. Haar presentie en pretentie, Goes 1998, p. 165v; G.C. Berkouwer, De Heilige Schrift II, Kampen 1967, p.80v en De Kerk II. Apostoliciteit en heiligheid, Kampen 1972, p. 96v. Voor het verdedigen van een zielenslaap kan met zich niet op Calvijn beroepen; zie J. Wiskerke, De strijd om de sleutel der kennis. Een bundel opstellen over theologie en filosofie, Groningen 1978, p. 162v (‘Calvijn over het leven na de dood’).
[xix] ‘In vita autem imperfectione toleranda multo longius procedere indulgentia nostra debet’ (Inst. IV, 1,13).
[xx] Zie hierbij het materiaal dat W.F. Dankbaar aandraagt in Calvijn. Zijn weg en werk (Nijkerk 1982, tweede druk), p. 165v; zie ook A.D.R. Polman, Onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis. Verklaard uit het verleden. Geconfronteerd met het heden. Derde deel, Franeker zj., p. 354v.
[xxi] Ontleend aan Johannes Calvijn. Zijn leven, zijn werk, p. 312.
[xxii] Met Augustinus omschrijft Calvijn het verschil tussen ketters en scheurmakers als volgt: ketters tasten met valse leerstellingen de zuiverheid van het geloof aan, terwijl scheurmakers soms ook bij overeenstemming in het geloof de band van de gemeenschap verbreken (246).
[xxiii] De handzame Calvijn, p. 176v.
[xxiv] De handzame Calvijn, p. 167/8.
[xxv] F.G.M. Broeyer, ‘Calvijn en de kerk. Is kerkscheuring gerechtvaardigd?’, in: Calvijn na 500 jaar, p. 76.
[xxvi] Zie bij dit onderdeel: G.C. Berkouwer, De Kerk I. Eenheid en katholiciteit, Kampen 1970, p. 78v.